Aan de stadse kant
Wat je niet terug ziet op Google Streetview (zie vorige post):
Ik ben met Mirjam’s fiets op weg gegaan naar het gemeentedepot. Dat is aan de kanaalweg, en die is net voorbij de Balijenbrug onderaan de Balijenlaan. En dat is in Utrecht. En ik fietste over de Balijenbrug, stak midden op de brug over naar de andere zijde, en keek over de rand van de brugleuning naar beneden, want daar moest ik naar toe. Ik was van plan om via het voetgangerstrapje naar beneden te gaan, want er was ook een fietsgoot.
Toen zag ik hem liggen. Een man, al wat ouder, achter in de zestig schatte ik hem later, lag voorover op de grond op een grasveld. Omdat ik bijna loodrecht van boven op hem neerkeek vormde het een surrealistisch decor. Op het moment dat ik hem zag begon hij te bewegen en te kreunen. Ik parkeerde snel mijn fiets (wel op slot zetten, bedacht ik me nog) en ging het trapje af. De man was er slecht aan toe. Zijn gezicht zat onder het bloed en hij brabbelde onsamenhangend. Hij kon ook niet goed overeind komen, bleef een tijd op zijn knieeen zitten en ging toen staan terwijl hij met beide handen een boom stevig vasthield.
Het was mijnheer P. en hij was gevallen. Hij kwam van ‘daar’, waarbij hij vaag achter zich wees naar een industrieterreintje. En het ging niet goed met hem. Ik zei: “Ik ga de ambulance bellen” en toetste 112 in op mijn mobiele telefoon. Er flitste door mijn hoofd: zou dat werken? 112 op een mobiele telefoon? Rare gedachte. Het werkte. Achteraf vind ik, dat ik dan wel heel zakelijk en resoluut heb gehandeld - maar daardoor wat minder empatisch op mijnheer P. heb gereageerd. Gelukkig was daar de boom om hem staande te houden. En gelukkig kwam er nog iemand aangefietst, een vrouw van mijn leeftijd, die stopte om te komen helpen.
Jelle deed de communicatie met de alarmcentrale. Marleen zorgde voor mijnheer P., zij spoelde zijn gezicht en handen met water en bracht hem naar het trapje, waar hij ging zitten. Er was direct een taakverdeling. We waren, voor een klein moment, een geolied team.
Het vroor en er stond een waterig zonnetje. Er was haast geen verkeer op de brug boven ons. Er hing even een stilte in de lucht.
De ambulance kwam over de Balijenlaan aanrijden met gillende sirene, en ik dirigeerde hen staand bovenaan het trapje naast Mirjam’s fiets met een zwaarwichtig gevoel voor verantwoordelijkheid en duidelijke armgebaren naar de plaats des onheils. De broeders leken niet direct onder de indruk van de ernst van de situatie, wat in mij een ambivalent gevoel opriep: “Nemen zij dit wel serieus?” versus “Het valt blijkbaar allemaal wel mee met mijnheer P.” Dat laatste bleek - gelukkig maar- ook het geval te zijn. Mijnheer P. werd direct daarop opgehaald door zijn vrouw (die ik ook gebeld had). Zij was een vrouw met een grijsvale jas en dito kapsel, die met een enigszins vermoeide blik - en dito heupen - de brug opgeklommen kwam, vanaf de ’stadse kant’.
(De mevrouw van de alarmcentrale moest zowaar lachen toen ik dat zei: (”Onderaan de brug, en dan niet aan de ’stadse kant’ maar aan de andere kant”. Praat ik werkelijk platter Utrechts in noodsituaties?)
Haar man, zo vertelde Mevrouw P, enigszins verontschuldigend, was niet zozeer vanwege de val in de war; het ging al een tijdje niet zo goed met hem. Hij was daarvoor ‘onder behandeling in Zeist’, aldus mevrouw P. Zij was in de veronderstelling dat haar man nu ook in Zeist was. In plaats daarvan vonden we hem dus terug aan de overkant van het kanaal, 100 meter van zijn woning, voorover liggend op de grond op een grasveld, tussen de platanen. “Ik was daar, bij de Praxis”, verklaarde hij. “En hier, ik moest rennen, ik had, ik denk … haast … ik weet niet”. Ze had heel wat met hem te stellen, zoveel was duidelijk. Arme mijnheer en mevrouw P.
Ik vervolgde mijn weg (zo schrijf je dat dan he, hij vervolgde zijn weg) naar het gemeentedepot. Daar was mijn fiets niet. Ik kon er niet aan ontkomen dat ik bedacht: Maar toch niet voor niets hier naartoe gekomen. Wat natuurlijk onzin is. Want er was altijd wel iemand anders gekomen die 112 had gebeld.
Ik fietste terug over de Balijenbrug.
Eerst langs de ambulancebroeders, die in hun wagen met lampjes op een notitiebord de formulieren aan het invullen waren. De val van mijnheer P werd vertaald naar het juiste ziekenhuisjargon, geillustreerd met de nodige vinkjes in vakjes.
Daarna, even verderop, passeerde ik mevrouw en mijnheer P. Zij hielp hem voorzichtig van de trap af, op weg naar huis, in de Merwedestraat.
Aan de stadse kant.
Popularity: 4% [?]


