De cognitieve neurowetenschap leert ons we dat onze gedachten ‘eigenlijk gewoon’ patronen van hersenactiviteit zijn. Wij zijn ons brein. Het blijft een gekke uitspraak. Ik heb al eerder gewezen op een leuk essay van Andy Clark dat de gedachte erachter op subtiele wijze belachelijk maakt. Wetenschappers formuleren het vaak genuanceerder, maar dat verandert niets aan de onlogica. Men spreekt bijvoorbeeld over de ‘neural underpinnings of…’, of ‘the neural representation of …’ of ‘the neural network responsible for…’ en verder lijkt het dan alsof die neurale underpinnings en representaties en netwerken het enige zijn dat er toe doet om het fenomeen in kwestie te kunnen begrijpen en verklaren. Vanochtend las ik in het boek ‘Heidegger en zijn Tijd‘ een citaat van Leibnitz dat in dit verband ook relevant is. Leibnitz zegt, vrij vertaald: Het feit dat iets ‘berust’ op iets anders wil niet zeggen dat het gelijk is aan dat andere. Want als het ene gelijk was aan het andere, dan was er geen verschil, en als er geen verschil zou zijn dan zou het een ook niet meer kunnen berusten op het andere, dan was het er aan gelijk. Dus: Alhoewel het menselijk leven berust op de ademhaling, zijn wij toch wel degelijk meer dan ‘louter lucht’. Op onlogica kun je Leibnitz niet snel betrappen!
Ons denken, en ons bewustzijn en onze identiteit, dwz., wie wij zijn, berust, ten dele, op de werking van ons brein. Maar dat wil niet zeggen dat ons denken en onze hersenen gelijk zijn aan elkaar. (Zoals Paul Churchland wel degelijk stellig beweert).
De computermetafoor (waar Leibnitz trouwens ongetwijfeld avant la lettre aan heeft bijgedragen) heeft ons een tijd lang in de greep gehouden van de gedachte dat ons brein de hardware is en onze gedachten de software die op die hardware (of ‘wetware’) draait. Hersenwetenschappers hebben oppervlakkig gezien de computermetafoor verlaten. Er is geen database in ons hoofd. Er is geen ‘central processor’ (In de hippocampus liggen niet al onze herinneringen opgeslagen. De prefrontale cortex is niet de central executive system dat alles aanstuurt). De details van de hersenen bleken zo veel ingewikkelder in elkaar te zitten dat de computermetafoor al snel overboord werd gegooid. Wat kwam er voor in de plaats? Nu, dat is het gevaarlijke: niets. Er is op dit moment, voor zover ik weet, geen goede metafoor voor wat het brein ‘is’. En dus zijn we de zaak om gaan draaien: we weten nu zoveel feitjes en merkwaardigheden over het brein, dat we gestopt zijn met zeggen: ‘het brein is als een…’ en in plaats daarvan zijn we gaan zeggen: ‘wij zijn als een brein’. En zoals dat gaat met metaforen, de ‘als’ wordt al snel vergeten: ‘wij zijn ons brein;’. Je zou ook kunnen zeggen: hersenwetenschappers missen vooralsnog een goed conceptueel model dat hen helpt te duiden wat ze zien als ze met de nieuwste technologieeen in onze hersenpannen kijken, maar dat heeft hen niet weerhouden gewoon door te blijven praten terwijl ze aan het hersenscannen waren. Met de cognitieve neurowetenschap als gevolg.
Hoe dan ook: op een dieper niveau is de computermetafoor nog altijd aanwezig. Want alhoewel men dertig jaar geleden vooral benadrukte dat in een computer de hardware niet van belang is, omdat het uiteindelijk draait om de structuur van de software (in de traditie van het functionalisme), kun je natuurlijk ook, met evenveel recht, de omgekeerde weg bewandelen: *eigenlijk* is een computer *niets meer of minder* dan een verzameling electronische schakelingen, software ‘bestaat’ niet. En dat is feitelijk wat hersenwetenschappers nu zijn gaan zeggen. In een soort tegendraadse historische ontwikkeling zijn ze zichzelf van high-level computerprogrammeur gaan omscholen tot old-school electrotechnici: hoe werken de schakelingen? Hoe zit het netwerk van verbindingen in elkaar? Die malle neurowetenschappers.
Op een nog algemener niveau kun je zeggen dat de computermetafoor - net zoals dertig jaar geleden al - er nog steeds voor zorgt dat we bepaalde vragen niet beantwoorden omdat de metafoor ons er van weerhoudt die vragen te stellen: Stel dat wij een combinatie zijn van hardware en software, waarbij de software ‘berust’ op de hardware: Wat is dan nu *precies* de relatie tussen de hardware en de software? Waardoor kenmerkt zich dat ‘berusten’? Hoe moeten wij dat berusten begrijpen? (Ik lees Heidegger en zijn tijd, dus ik begin wat hoogdravend te worden). Tja, in een computer, doet dat er uiteindelijk niet toe. Zolang je maar een electrotechnicus hebt die de hardware onderhoudt en een programmeur die de software schrijft; werkt het! En zolang het werkt, hoeven we verder niets te begrijpen. Die twee hoeven elkaars werk niet in elkaar te vertalen. En alhoewel neurowetenschappers het vaak wel beweren, geven zij ook geen antwoord op deze vraag, die uiteindelijk nog steeds het ‘mind body’ problem is. Binnen de aannames van boekjes als ‘ik ben mijn brein’ is er nog steeds dat probleem en het wordt ook nog steeds niet beantwoord, omdat we nog steeds als een necker-cube springen tussen ’software’ en ‘hardware’ beschrijvingen van ons zijn.
(Deze tekst is uiteraad geheel geschreven door mijn brein - ik ben hier dus niet voor verantwoordelijk).
Popularity: 28% [?]