Archive for the 'from product design daily' Category

from product design daily, observaties

De comfort van een goede wandeling

Mijn laatste bijdrage dit jaar voor From Product Design Daily moest over ‘comfort’ gaan.

De comfort van een goede wandeling

Ik reed laatst met mijn Mirjam en Jonas over de A28 van Utrecht naar Zwolle. We rijden heel vaak over die weg, want voor de meeste Opa’s en Oma’s in onze collectie moeten wij tenminste tot Zwolle, of zelfs nog verder. Ineens merkte ik dat ik iemand ben uit de generatie die is opgegroeid met computers. Ik vertoef tegenwoordig zo vaak en zo vanzelfsprekend in die digitale spiegelwereld dat ik de wetten die daar gelden zomaar denk te kunnen toepassen (copy – paste!) op de echte. Hoe gemakkelijk zou het zijn - hoorde ik mezelf denken - als we voor dit stuk weg gewoon een short-cut konden maken? We rijden immers zo vaak langs dat randmeer (Routiers Nunspeet!), kunnen we het dan niet net zo goed overslaan? Laten we het stuk Amersfoort-Zwolle in ieder geval maar automatiseren. We hoeven namelijk nooit ergens te zijn tussen Amersfoort en Zwolle. Dus dat je naar Amersfoort rijdt, een hyperlink-afrit pakt en dan, ploeps, in één klap in Zwolle uit komt.

Rijden van Utrecht naar Zwolle kun je niet short-cutten. Niet echt, tenminste. In de echte wereld kost het nog altijd nog echte tijd om echte ruimte te overbruggen. Je kunt wel steeds wat sneller. Een oom van mijn Opa liep in de lente van Brabant naar West-Friesland om daar te werken bij de inpoldering. Daar deed-ie een paar dagen over. In de herfst liep hij weer terug, met geld op zak voor het gezin. Om de winter door te komen. Die duurde destijds trouwens ook een stuk langer dan nu.

Als je zou lopen van Utrecht naar Zwolle zie je wat je allemaal mist als je met de auto gaat. Zelfs met de fiets maak je al een stuk minder mee dan met lopen. Zo liep ik eens een stuk van het Pieterpad. Als je van Sittard naar Roermond loopt (of andersom, dat weet ik niet meer), dan begin je midden in de stad, op het marktplein. De binnenstad verruil je al snel voor een jaren zeventig bungalow wijkje. En achterom dat wijkje, tussen twee huizen door, sta je ineens in het weiland. Weiland wordt bos en het landschap wordt steeds wilder, tot je na een tijdje zit te lunchen onder een oude eikenboom, midden in een natuurgebied. Je ziet wat vogels, misschien zelfs een eekhoorn. Dat is het. Geen auto of huis te bekennen. Geen bestrating, geen stoep, niets. En als je dan doorloopt, wandel je tegen een uur of vier weer tussen de weilanden. Het pad is nu weer van asfalt geworden. Er verschijnen ineens lantaarnpalen. En dan: sportvelden. Een HERAS-hekwerk. Een bouwterrein. En twee straten verder, huizen. Een vinex-wijk, of iets wat ervoor moet doorgaan. En met de schemering die invalt loop je vervolgens langs een suizende rondweg, vierbaans, compleet met middenberm, jaren dertig lintbebouwing en de lichtgevende ‘centrum parkeerroute’ borden. Tot je weer op een marktplein staat, waar twee japanse toeristen zoeken naar een restaurantje. Wat ik maar wil zeggen is: als je met de auto gaat mis je dit allemaal. Dan is het: parkeergarage, rondweg, snelweg, rondweg,  een “moeten we niet bij die kerk linksaf?”, en dan weer een parkeergarage. Onder het marktplein. In zes short-cuts van Sittard naar Roermond. Alleen duurt het nog steeds even voor je er bent.

En wat wil je in de tussentijd? Al die tijd die je moet wachten, omdat je weliswaar de shortcut van rondweg naar snelweg hebt genomen, maar de snelweg-shortcut toch wel twintig minuten nodig heeft om je naar de volgende rondweg te brengen? Dan wil de mens comfort. Een lekkere stoel in de auto, die goede rugsteun geeft. Een goede stereo-installatie, met dolby-surround. Een mini-DVD voor de kids aan de stoel gehangen. Nee twee: voor ieder krijsend kind één. En een goede verwarming. Want als je stil zit krijg je het koud hoor.

Popularity: 16% [?]

from product design daily

Creativiteit

Creativiteit: Een brainstorm met de experts.

“I throw a spear into the darkness. That is intuition.
Then I must send an army into the darkness to find the spear. That is intellect.”
Ingmar Bergman

Jelle:  Hmm, een stukkie over creativiteit. Pfff…. Er schiet me niet direct iets te binnen. Zeg, Remko, jij weet toch hoe dat moet, creativiteit?
Remko:  Wat? Eh, ik ben heel erg druk nu. Vraag het Christine anders. Zij promoveert erop.
Christine:  Ja ja, en dan wordt er van mij zeker iets hoogdravends verwacht. Dat heb je altijd, dan vragen ze ineens iets Enorm Creatiefs van je…
Jelle:  Ja maar kom nou, jullie zijn de experts! Ik heb hier tientallen, nee honderden
studenten aan mijn lippen hangen die willen weten hoe je
dat aan moet pakken: creativiteit. Is er geen stappenplan ofzo, Remko?
Remko:  Een stappenplan? Nou, tja, in de oudheid ging je wachten tot een
muze je inspiratie inblies. Er is trouwens veel onderzoek naar hoe
creatievelingen creatief zijn. En ook veel onenigheid daarover. In
1926 heeft ene Amerikaanse meneer Wallas een artikel…
Jelle:  Ja maar, hoe *moet* het Remko? Vertel ons het geheim!
Remko   ….laat me even uitspreken alsjeblieft, jij valt altijd maar
iedereen in de rede… Waar was ik? Oja, die Wallas had dus goed
geluisterd naar de processen van een aantal hoogcreatieve
mannen…
Christine:  Ha! Zo ging dat toen in die tijd. Het kwam niet in
hem op dat dames ook heel creatief konden zijn.
Remko:  Luister nou even. Die meneer Wallas dus, die vond dat er
eigenlijk 4 fasen waren die in ieder creatief proces aanwezig waren: preparatie, incubatie, illuminatie en verificatie. Moeten we dat nog nader bespreken of is je column al vol?
Jelle:  Eh, nou nee ik denk dat ik wel genoeg heb, dank je Remko… (zo snel insturen dan ben ik nog op tijd voor de deadline)
Peter: Ho ho wacht eens. Ik zou  juist zo graag willen weten wat “preparatie, incubatie, illuminatie en verificatie” precies inhoud. Het zijn mooie en beloftevolle termen, je hebt het gevoel dat het geheim van de creativiteit erin besloten ligt. Maar vervolgens zeg je er niks over, terwijl je juist denkt: ah, nu gaat het beginnen.
Jelle: (Grmbl) Ok ok. Eens even zien. Preparatie. Iemand een idee jongens: preparatie?
Christine: Nou het zal iets met voorbereiden te maken hebben? Wacht even - wat een rommel heb jij toch op je bureau-  Laten we eerst de tafel eens leeg maken dan kunnen we beter denken.
Remko: Wat ik er van weet is dat preparatie de fase is waarin je alles naar voren brengt dat je direct zo weet te noemen. De parate kennis, de voor de hand liggende oplossingen, zeg maar.
Jelle: Ok, een soort brain-dump voor het echte werk gaat beginnen zeg maar. Goed, laten we die dan allemaal hier eens op deze leuke kaartjes schrijven. Heb jij een stift Christine?
Christine: ik wel ja, ik ben altijd goed voorbereid. Koop jij nooit eens zelf stiften, Jelle?
Jelle: En nu: incubatie. Wat is dat?
Remko: Ehm…
Christine: (stilte)
Jelle: (lange stilte)
Remko (nog meer stilte)
Jelle: (kuch)
Christine: Zei je wat Jelle?
Jelle: Nee ik kuchte alleen maar
Remko: Stil even ik probeer me te concentreren…
Christine: Heb jij trouwens een nieuwe bril, Remko?
Jelle: Ja, je hebt een nieuwe bril!
Remko: Ja vind je hem leuk? Niet te arty?
Christine: Nee precies goed: je bent wel een designer maar ook weer geen posh-architect of zo
Jelle: Ik houd altijd meer van ronde brillen … HEE WACHT EENS…!
Christine: Ja?
Jelle: Ik heb ineens een heel goed idee!
Remko: Het is alsof er een lampje boven je hoofd is verschenen Jelle: vertel op, enlighten us!
Jelle: kunnen we van die fasen niet een leuk stappenplan maken? Met zo’n leuk vormgegeven schrijfboekje erbij met veel plaatjes en leuke invulvakjes enzo?
Christine: ‘Zo’n leuk opschrijfboekje’, je klinkt net als een van mijn studenten, van zodra ze er iets over horen willen ze dat allemaal gaan doen! Kunnen we er anders niet een spel van maken of zo? Gewoon lekker creatief! En dus ook geen stappenplan! Laat ze maar lekker zelf hun weg vinden door het land van creativiteit.
Remko: Top idee Christine! Meteen doen!
Christine: Ja ho ho, zeg ik ben nu druk met verbouwen, ik moet eerst nog schilderen. Jelle jij moet dat zelf maar doen hoor, het is jouw column…
Remko: Ja, het is wel belangrijk dat je het nu gaat uitwerken. Ik bedoel we hebben misschien een soort van idee, en het voelt goed, maar nu komt het zware werk. Jelle: ga jij een na of er niet al meer van dat soort spellen zijn, en of ze werken, en of er wat bekend is over de waarde van het spel in het creatieve denkproces. Hoe zou je eigenlijk precies dat spel gaan gebruiken om creativiteit te bevorderen?
Jelle: Yup, dat klinkt overduidelijk als een verificatiefase. Die mag ik weer doen zeker. Een spel. Pfff… Er schiet me niet direct iets te binnen. Zeg Mathieu…

 

Jelle mailde deze week met Christine de Lille, promovendus bij de Hogeschool Utrecht en TU Delft en Remko van der Lugt, lector Product Design en Engineering bij de Hogeschool Utrecht.

 

(…en de lezer die weet uit te vinden wie Mathieu is krijgt een eervolle vermelding in mijn volgende column)

Popularity: 15% [?]

from product design daily

De Cognitieve Werkplaats

Had ik deze nog niet gepost? Ook van Product Design Daily…:
maar mijn trouwe lezers kennen mijn stokpaardjes inmiddels wel..

De Cognitieve Werkplaats

Vroeger, toen alles beter was, gebruikte de mens zijn hoofd voornamelijk om dingen slimmer aan te pakken. Dat aanpakken moet je letterlijk nemen. Er moesten vuurstenen worden geslagen, bizons gevangen, een boomhut gebouwd, takken versleept, enzovoorts. Als je slim was verzon je, ik noem maar wat, het wiel, en voor je het weet had je een kar met ossen ervoor en voldoende tijd over om thuis mooie dieren op de muur te schilderen…

Maar de wereld is niet meer wat ze geweest is. In het Westen althans, gebruiken we onze hersenen niet langer om beter te zagen, slimmer te sjouwen of intelligenter te timmeren: hersenen gebruiken we tegenwoordig om, tja… om te vergaderen. Om een tekst te schrijven. Een planning te maken. Om het ene idee met het andere idee te vergelijken en zo weer op een nieuw idee te komen. Om A en B bij elkaar op te tellen en te kijken of het meer is dan C. Je lichaam komt er niet meer aan te pas. In plaats daarvan zitten we de hele dag achter een schermpje langzaam te vervetten. De problemen die onze hersenen op moeten lossen bevatten enkel nog abstracte begrippen en het hele gebeuren vindt in een virtuele wereld, op je PC, intranet het www.

Maar daar is ons brein helemaal niet voor gemaakt. Onze hersenen rekenen erop dat ze moeten opereren in een fysieke omgeving, waar je met je spierkracht, je reflexen, je oog-hand coordinatie en je oer-instincten (vechten of vluchten) je weg moet zien te vinden. Je kunt je hersenen wel voor abstracte puzzels gebruiken, maar het blijft een hoogst onnatuurlijke situatie om na te moeten denken over situaties die met rennen, springen, klimmen en ontwijken verder niets van doen hebben. En wat kunstmatig is kost energie. Geen wonder dat we moe zijn, overspannen raken en een burn-out krijgen.

Vroeger, toen alles beter was, leerde men een vak in de Werkplaats. In de Werkplaats hield een Meester toezicht op zijn gezellen. De Meester was zelf ook met iets bezig, iets dat zijn leerlingen nog niet konden. En de leerlingen waren met hun eigen werk bezig, ieder op zijn niveau. Af en toe riep de Meester zijn jongens bij zich. Kijk eens jongens, zei hij dan, zie je deze twee latten? Wie heeft er een idee hoe ik dat met elkaar zou kunnen verbinden? Of hij gaf direct feedback op het werk van een leerling: Goed zo, zo moet het, dit is de bedoeling. Het denken en leren vond plaats in een fysieke situatie. Leerlingen probeerden iets, met eigen handen, en kregen daar feedback op. Leren betekende dat je wel je handen uit je mouwen moest steken.

Misschien moeten we de Werkplaats weer in ere herstellen, maar dan in een moderne versie. Ik noem het “De Cognitieve Werkplaats”. Het is een plek waar meester en gezel (beiden m/v uiteraard) gezamelijk aan de slag kunnen. Met de problemen van vandaag, maar je moet er wel je handen voor uit de mouwen steken. Neem bijv. een opdracht om een hoeveelheid informatie in te delen in klassen en deelklassen. Ik stel me daarbij een grote ruimte voor met allemaal dozen. Ieder van die dozen staat voor een hoeveelheid informatie en er zijn verschillende soorten dozen die verschillende soorten informatie representeren. Alle studenten krijgen de opdracht om een muur van de ruimte vol te bouwen met dozen. Bovenaan de hoofddoos, en daaronder de deeldozen. Wat hoort bij wat? Welke indeling maak je? Met gekleurde tape kun je de dozen aan elkaar verbinden om aan te geven hoe verschillende onderdelen zich tot elkaar verhouden. Dozen waarvan je zeker bent verf je groen. Probleemgevallen oranje. Omdat de docent daar met zijn eigen werk bezig is, kunnen de studenten letterlijk zien hoe hij zo’n probleem aanpakt. De docent ondertussen kan direct feedback geven op wat de leerlingen doen. En je zit niet stil. De dozen hebben allemaal gewicht, dus er moet flink gesjouwd worden. Het is fitness en ‘les’ tegelijk. Net zoals in een traditionele werkplaats. Alleen is het resultaat geen tafel of een kast, maar, een informatie-architectuur, een projectplanning, een wiskundige vergelijking of een ontwerp voor een website. Dingen die je op dit moment op je PC zou doen. En vooruit, met wat sensoren, RFID chips en ledlampjes kun je de dozen zelfs met je PC laten communiceren.

Kijk, naar de fitness moeten we toch, om al dat zitvlees er weer af te trainen. Is dat geen gestoorde situatie? Dat je voor je werk of je studie de hele dag stil zit en dan ’s avonds als een gek op een loopband achter een videotape aan gaat hollen? Dan ren ik liever ‘achter de nieuwste kennis op mijn vakgebied’ aan, of ik probeer me al voetballend een ‘weg door de probleemruimte’ te banen. Rennen en denken combineren, zodat we weer tijd over houden om thuis mooie dieren op te muur te schilderen.

Jelle 19 sept 2008

Popularity: 13% [?]

from product design daily

Gibson en de theepot

De dingen zijn niet altijd zoals ze eruit zien. Neem het uiterlijk van een product. Het is een simpel en bekend idee dat het uiterlijk van het product een soort plaatje is. Dat plaatje komt je hoofd binnen via je ogen. Je ogen zijn dus een soort camera’s. Beeld komt binnen, wordt opgeslagen in de vorm van neurale activatiepatronen en zo het brein ingestuurd, voor verdere verwerking.
1.png
[figuur 1: de bekende Norman theepot]

Bij de afdeling plaatjes-verwerking in je hersenen zitten dan een paar miljoen hersencellen de boel weer te decoderen: jongens, wat zien we hier? Een theepot? Een kunstvoorwerp? O, ik zie het al, het is de voorkant van dat boek van die Donald Norman, guru in de gebruiksvriendelijkheid.

Don Norman, nu we het toch over hem hebben, is erg beinvloed door de waarnemingspsycholoog James Gibson. En Gibson zou erg protesteren tegen bovenstaande voorstelling van zaken. Ogen zijn helemaal geen camera’s, en het beeld van het object is geen plaatje dat je hoofd binnen komt en vervolgens gedecodeerd wordt, zou hij zeggen. Gibson deed onderzoek naar de visuele waarneming van vliegtuigpiloten. Een van de eerste dingen die hij ontdekte is dat vliegtuigpiloten enorm veel informatie halen uit wat hij ‘optic flow’ noemde. Optic flow wil zeggen: hoe het visuele signaal verandert door de tijd als gevolg van je eigen bewegingen. Als ik in een bommenwerper over een slagveld scheer, dan vliegen alle beeldpunten in mijn visuele veld vanuit een centraal punt recht voor mij, langs me heen naar boven, onder, links en rechts van mij, en zo tot ze uit mijn visuele beeld verdwijnen. Een beetje zoals de sterrenstelsels langsschieten in de aftiteling van Superman films. (Als je die kent).
2.png
[Figuur 2: Het originele ‘optic flow’ plaatje van Gibson]

3.png
[Impressie van de informatie voortkomend uit de optic flow tijdens autorijden]

Het centrale punt waar al die beeldpunten uitkomen is het punt waar ik zelf naartoe vlieg. Uit optic flow zijn allerlei ‘invarianten’ af te leiden, bijvoorbeeld hoe je vliegtuig zich verhoudt tot de horizonlijn en dus, of je te hoog of te laag vliegt. Bedenk: er is alleen optic flow als je zelf wat doet. Je moet je ogen bewegen, of je hele hoofd, of je hele lichaam (of met je hele vliegtuig). Gibson concludeerde dat feitelijk alle ‘dingen’ die wij waarnemen niet alleen bestaan uit het ‘ding’ zelf, als objectieve data die in de vorm van licht in ons oog valt, maar dat de dingen ook altijd iets van informatie bevatten van ons zelf: we zien niet alleen een theepot maar ook tegelijkertijd hoe wij ons verhouden tot die theepot. Want we handelen altijd ook terwijl we waarnemen: die twee zijn gekoppeld. Een camera op pootjes die zelf actief op zoek gaat naar zijn beelden, zoiets. Het gevolg is, aldus Gibson, die er een heel boek over vol schreef, dat wij objecten altijd in eerste instantie te zien als “wat-je-er-mee-kunt-doen”-dingen. Dat noemde hij ‘de affordance’ van het object. En dat is het gekke van de theepot van Norman: die heeft aan ambigue affordance: je bent geneigd hem op te pakken om uit te schenken, maar je ziet tegelijk dat dit problemen gaat opleveren (zeker met hete thee). Productontwerpers hebben dit wat vereenvoudigd en noemen het meestal ‘use-cue’. Maar pas op, Gibson zou opnieuw protesteren als je een use-cue uitlegt, zoals vaak gebeurt, als een soort van ‘conclusie’ die mensen trekken op grond van de beschikbare visuele informatie. Het is niet zo dat je eerst een stoel ziet en dan denkt: dat is een stoel, en ik weet dat ik op een stoel kan zitten, dus deze stoel heeft als use-cue “zitten”. Affordances neem je direct waar. Je kunt niet anders. Een affordance is geen eigenschap van een object, het object is de affordance. Het eerste wat je ziet is een “een zit-affordance”, en juist daarna pas kan je, eventueel en in een later stadium, bewust tot de conclusie komen: dan moet het een stoel zijn. Je zou kunnen zeggen dat objecten altijd voor een deel jouw eigen gedrag (of liever, je gedragsmogelijkheden) reflecteren. Alsof je zelf een rood licht uitstraalt en dan alle objecten in je omgeving een beetje rood ziet. Het zou dan onjuist zijn te beweren dat die objecten echt rood zijn, ze zijn rood omdat jij rood uitstraalt. Hetzelfde gebeurt met handelingsmogelijkheden: je ziet niet de dingen zoals ze echt zijn, maar je ziet ze als mogelijkheden voor je eigen handelen.

(eh… niet ‘zoals ze echt zijn’? dat hangt natuurlijk maar helemaal van de definitie van ‘zijn’ af. de fenomenoloog zou zeggen: maar zo ‘zijn’ nu juist de dingen, die affordance is het enige ‘echte’ wat er is)

Don Norman: www.jnd.org
Optic Flow http://www.pages.drexel.edu/~weg22/opticFlow.html
James J. Gibson & affordance http://en.wikipedia.org/wiki/Affordance

Popularity: 17% [?]

from product design daily, ant on the beach

Zware gedachten

Het thema voor mijn design column was ‘zwaartekracht’. Ha! Eindelijk de kans om iets over cognitiewetenschap te schrijven!

Zware gedachten?

Mijn vakgebied is de cognitiewetenschap, oftewel de wetenschap van de menselijke geest. Cognitiewetenschap houdt zich bezig met vragen als: hoe werkt ons denkvermogen? Wat is waarneming? Hoe nemen we beslissingen? Waaruit bestaat ons geheugen? Nou heb je er misschien nog nooit zo bij stil gestaan, maar het is een feit dat alle belangrijke begrippen uit mijn vak de eigenschap hebben dat ze absoluut en volledig gewichtloos zijn. Strict genomen weegt het nog geen microgram, ons denken. En dat is gek – want als iets niets weegt, wat is het dan eigenlijk nog waard? Kijk, je hersenen wegen ongeveer een pondje. Maar je hersenen, dat is niet ‘je denken’. Er is natuurlijk wel een belangrijke relatie tussen die pond hersencellen en, stel, een dierbare herinnering aan je lieve moeder, maar die hersencellen zijn die herinnering niet. Je hersencellen zijn hersencellen. En een herinnering is een herinnering. Dat zijn twee verschillende dingen van een heel andere orde. Een van de mensen die veel heeft bijgedragen aan het idee dat onze gedachten niets wegen – en dus van een heel andere orde zijn dan de ‘weegbare’ dingen in ons leven, is René Descartes. Deze Franse filosoof maakte een strict onderscheid tussen enerzijds de stoffelijke wereld, waaronder ons lichaam, de dingen om ons heen, zoals de dieren, planten en bomen, huizen, koetsen, koffiekopjes enzovoorts; en aan de andere kant de denkwerdenker.pngeld, die bestond uit mentale dingen, de gedachten, wensen, verlangens, ideeën en herinneringen, en die onstoffelijk was. Nu wist Descartes ook wel dat je gedachten je lichaam kunnen aanzetten tot grootse danwel laffe daden, dus er moest op een of andere manier wel een verbinding zijn tussen die onstoffelijke en stoffelijke wereld. Hij vond zijn antwoord in de hypofyse, ofwel de pijnappelklier, een klein druppelvormig aanhangsel dat onderaan je grote hersenen hangt, achter je neusbrug. Dit kleine kliertje heeft de wetenschappers altijd enigszins voor een raadsel gesteld, onder andere omdat het het enige ding was waarvan er in de hersenen ook echt maar eentje was: alle andere zichtbare structuren bestaan namelijk in tweëen: eentje links en eentje rechts. (Zelfs tot op de dag van vandaag is niet helemaal precies duidelijk wat de pijnappelklier doet). Dus daar moest wel iets bijzonders mee zijn. Descartes stelde voor dat die pijnappelklier een soort transmitter was die onze geest in staat stelde om ons lichaam aan te sturen en die het ook mogelijk maakte dat ons lichaam de wereld kon ruiken, proeven en bevoelen om op die manier onze geest deelgenoot te maken van wat er in onze directe omgeving aan de hand was. Een soort wi-fi avant-la-lettre, zou je kunnen zeggen. De geest als onstoffelijke entiteit is een mooi idee, maar als je gelooft in een alledaagse, westerse opvatting van ‘de dingen’ dan is ze wel problematisch. Immers, alle dingen waarvan we normaalgesproken aannemen dat ze bestaan hebben massa. Geen massa hebben is goedbeschouwd een soort definitie van ‘niet zijn’ en dus niet bestaan. Dus als een gedachte geen massa heeft, bestaat ze dan nog wel? Spoken wegen ook niets en die bestaan immers ook niet? Maar onze gedachten moeten wel bestaan, anders zouden we onszelf ontkennen. Wij denken immers, nietwaar? Descartes draaide dit zelfs om, met zijn beroemde spreuk: ik denk, dus ik ben. (Je pense, donc je suis). Het enige dat we echt zeker weten dat bestaat, zo redeneerde Descartes, is dat we denken. We kunnen denken aan appels, maar we weten niet of appels echt bestaan. Misschien zijn appels wel een illusie, of een vermomd soort peren. Misschien is alles wat we waarnemen wel een soort droom, iets dat niet echt is (Descartes zou een groot fan van The Matrix geweest zijn). Maar wat ik wel zeker weet als ik aan een appel denk, is dat ik denk. En als ik zeker weet dat ik denk, dan weet ik ook zeker dat ik er ben. Want als er iemand denkt, dan ben ik dat. Ik denk, dus ik besta. Zijn redenering staat nog steeds als een huis, ook al brengt het elke wetenschapper in de problemen wanneer hij de geesteswereld in verband wil brengen met al die andere dingen waarvan we nu zo langzamerhand een beetje het vertrouwen hebben gekregen dat ze ook bestaan. Terwijl je op het eerste gezicht zou zeggen dat een stoeptegel toch wel meer realiteitswaarde heeft dan het eerste de beste vluchtige ideetje, kom je niet om Descartes’ inzicht heen dat het omgekeerde eigenlijk het geval is: juist dat wat het minste weegt: onze geest, heeft het grootste bestaansrecht. Zelfs over een loeizware stoeptegel kunnen we blijven twijfelen. Dat is misschien wel die ondraaglijke lichtheid van het bestaan waar Milan Kundera ooit nog eens een boek over schreef – maar dat is weer een andere column, voor een andere keer.

NB de foto is een koffietafelvariant van De Denker. Hij weegt 4.5 kg, volgens E-bay.

Popularity: 16% [?]

from product design daily

Problemen problemen problemen

Het stukje voor From Product Design Daily van deze week:

Het probleem is een ding met twee gezichten. Soms, als je er helemaal geen behoefte aan hebt, komen de problemen ineens met bakken uit de hemel vallen. Je raakt erin verstrikt en het enige wat je kunt doen is zwemmen om niet te verzuipen. Er zijn er natuurlijk die zich nergens door van de wijs laten brengen. Neem nou de projectmanager bij Cap Gemini die vertelde dat hij een grote map had, genaamd THAW. In die map deed hij alle brieven en notulen en mailtjes die hij kreeg die heel erg vervelend waren. Brieven met grote problemen, die niet opgelost konden worden. Waar hij absoluut geen raad mee wist. Hij deed al die nare zaken in die map. En dan wachtte hij af. Na een aantal weken keek hij nog eens in de map. En zowaar, hij kon bijna al die papieren de papierbak in gooien. Het probleem bleek geen echt probleem te zijn geweest. Of het geval was al achterhaald. Vanzelf opgelost. Toevallig goed gegaan. Iemand anders had het al gedaan. Enzovoorts. Ik vroeg wat het betekende: THAW. “Tijd Heelt Alle Wonden”, zei hij met een glimlachje.

 

Maar soms is haast het omgekeerde het geval: dan heb je helemaal geen problemen, terwijl ze zeggen dat je ze wel moet hebben. Dat kan je overkomen als student. Je schrijft een stukje over RFID chips, of over Dutch Design, of over Kaasmaken door de eeuwen heen of over Internet 2.0, je levert en in bij je docent en dan begint het gedoe. Je blijkt geen duidelijke probleemstelling te hebben. Het is een van de lastigste dingen: een probleem te herkennen, het te benoemen, het helder te omschrijven, er woorden aan te geven. “Mijn afstudeerders”, zegt mijn vader wel eens, “kunnen de situatie die zij aantreffen in hun stagebedrijf zo slecht problematiseren”. Hij bedoelt daarmee te zeggen, dat het gek genoeg heel vaak erg moeilijk is om te zien wat ergens nou het probleem zou kunnen zijn. Terwijl sommige problemen als een vis uit een strip van Asterix in je gezicht worden geslagen, houden andere problemen zich even zo vaak zorgvuldig voor je verborgen. Ze verstoppen zich onder ‘we doen dit al jaren zo’ of ‘dit is een ontzettend leuk bedrijf en het gaat Heel Goed met ons’ en ‘Ik heb er geen problemen mee hoor, dat ding werkt prima’ en ‘Ach mijnheer de mensen maken altijd overal zo’n probleem van’. Toch moet je Het Probleem zo snel mogelijk onder dat tapijt van afleidingsmanouvres vandaan zien te peuteren. Anders wordt het niets met je project. Ja ik snap het wel. Het lijkt natuurlijk op het wakker maken van een slapende hond, en waarom zou je dat doen? Zolang er geen probleem is, hoef jij ook niet in actie te komen? Wel zo relaxed natuurlijk, een afstudeerproject zonder problemen! Maar ja, als er geen probleem is, dan is er geen klus. En als er geen klus is, is er geen project. En als er geen project is, dan is er geen afstuderen.

 

Tja. Probleemstellingen. Ze zijn er eigenlijk met name om je aan de slag te krijgen en aan de slag te houden. Tja, als je daar geen behoefte aan hebt – en je kunt ermee wegkomen - moet je ze vooral niet opzoeken. Ik moet ineens denken aan de Amerikaan die ooit in Indonesië een man zag die in zijn hangmat lag te luieren. “Hee jij daar, man!”, zei de Amerikaan, want beleefdheden waren er niet bij in die tijd. “Wat doe je daar in die hangmat?” “Ik? Ik lig hier te luieren”, zei de man, die wist dat je tegen Amerikanen nou eenmaal nooit zuinig moest zijn met ‘stating the obvious’. De Amerikaan wond zich nu werkelijk op: “Snap je dan niet wat een kansen je mist jongen!?” “Hoezo?”,  zei de luieraar. “Nou,” zei de Amerikaan. “Zie je dat land daar van jou? Dat kun je bewerken, irrigeren, droogmalen, je kunt er pompen aanleggen. En dan kun je rijst planten man!” “Ja, en dan?”, zei de indonesier, en hij nam nog een slokje kokosnootsap (of iets anders inboorling-achtigs). “Nou,” vervolgde de Amerikaan. “Dat zal ik je vertellen. Dan kun je die rijst gaan verkopen op de markt. Dan kun je geld verdienen jongen, harde pegels! YES WE CAN!” “Ja, en dan?”, zei de luieraar, en hij wapperde zichzelf nog wat koelte toe met een palmblad. “Nou,” zei de Amerikaan geestdriftig, “dan kun je mensen in dienst nemen, je eigen bedrijfje beginnen, en als het begint te lopen jongen, dan zul je daar al die mensen voor jou in het zweet zien werken, daar op dat land, en dan kan jij lekker in je hangmat gaan liggen jongen. Zie je het voor je? Zie je het voor je?” “He he he”, grinnikte de luieraar. Hij spreide zijn armen uit in een weids gebaar en keek de Amerikaan aan op een manier waarmee hij ‘stating the obvious’ opnieuw had uitgevonden.

 

Popularity: 14% [?]

from product design daily, discussie, human technology, maatschappij

From Product Design Daily (4)

Pas volgende week komt dit stukje online bij de HVA. Zou ik dat dan nu al mogen voorpubliceren? Ach, we zien wel.

Het thema van aankomende week van de nu reeds illustere daily ‘From Product Design Daily’, is: “From Cradle to Cradle”. Dat is een nieuwe filosofie in het ontwerpen, waar, simpel gezegd, je probeert met creatieve slimme innovaties het milieuprobleem op te lossen.

De Printer en de Vap
Maandag was ik met studenten in Utrecht bij ons gloednieuwe fablab genaamd Protospace. In Protospace kun je van alles maken tegen kostprijs met een aantal machines. Een van de machines in zo’n lab is een 3D printer. Vanuit poeder maakt dit ding computergestuurd ieder prototype dat je maar wilt. Het is de moeite waard er eens langs te gaan. In Amsterdam staat er eentje in De Waag.

Joris van Protospace vertelde ons dat fablab is verzonnen door de visionaire Neil Gershenfield van MIT. Neil’s ultieme toekomst is de replicator uit Star-Trek. Hij streeft er naar dat iedere consument een eigen 3D printer in huis heeft, zodat je nooit meer suffe kopjes van de IKEA hoeft te kopen maar gewoon je eigen kopje uitprint als je er een nodig hebt, uiteraard volgens je eigen persoonlijke ontwerp. Neil is my guy! Joris voegde er aan toe dat het dan wel mooi zou zijn als het geheel een beetje Cradle to Cradle georganiseerd werd. Want voor elk wissewasje een nieuw kopje printen, dat is natuurlijk niet bevorderlijk voor het milieu. Hoewel, waarom alle oude kapotgevallen kopjes niet hergebruiken? Hup, de printer in ermee en printen maar weer. Idealiter is er ook nog een oplossing voor de energie die het kost om zo’n 3D printer te laten werken. Ik stel hometrainers voor, want tegen die tijd zijn we natuurlijk allemaal moddervet. Het kost wat arbeid, maar dan heb je ook volledig zelfvoorzienende huishoudens, waar de consument is getransformeerd tot een ware prosument: iemand die zelf maakt wat hij gebruikt. Van zijn eigen afval. En nou wil ik niet opscheppen, maar zonder ooit van die Neil Gershenfeld gehoord te hebben schreef ik ooit een stukje science-fiction dat hier wel heel erg op lijkt. Lees mee, over de Printer en de Vap: http://www.jellevandijk.org/wp/2006/11/23/ricket/

Meer over Fablab? http://www.fablab.nl/
Protospace:
www.protospace.nl
De Waag Society & Fablab
http://www.waag.org/nieuws/38406
Fablab bij MIT
http://fab.cba.mit.edu/about/
Prosumption:
http://en.wikipedia.org/wiki/Prosumer 

Popularity: 20% [?]

from product design daily

From Product Design Daily (3)

De derde week van From Product Design Daily, de dagelijkse column op het intranet van de hbo-opleiding Product Design in Amsterdam, waar ik eens per week een bijdrage aan lever, stond in het teken van de massafabricage. Hieronder mijn stukje.

DESIGN03 - Sperma

Sperma. Soms moet je beginnen met een woord dat de aandacht trekt. Iets dat lekker blijft plakken, zeg maar. Maar serieus. Sperma is namelijk de ultieme biologische vorm van massafabricage; dus ik ben helemaal ‘on-topic’. Wel een raar soort massafabricage eigenlijk. Stel je voor dat je duizenden, nee, honderdduizenden multi-focus zonnebrillen laat produceren, compleet met de glazen, de schroefjes, de pootjes en het uitgestanste stippenhartje; en dat je vervolgens één willekeurig exemplaar uit de berg vist en met een royaal gebaar aan je liefje overhandigt: “Alsjeblieft schat, een fijne multi-focus zonnebril, speciaal voor jou alleen”. Of nog erger, je kiepert die complete berg met brillen integraal in een grote rubberen vuilniszak je zet de hele mieterse zooi zonder pardon bij het vuilnis. Zoiets. De biologie doet aan massaproductie, maar op een vreemde, inefficiente wijze. Veel mooier, en ook natuur, is daarentegen het unieke en uiterst persoonlijke proces dat daarna volgt, als het zaadje en eitje elkaar eenmaal gevonden hebben. Het schijnt schier onmogelijk te zijn een embryo buiten de baarmoeder – in het laboratorium dus - levensvatbaar te houden, wat maar bewijst dat de groei van een nieuw mens een uniek, complex proces is dat niet zomaar eventjes massaal ‘gecopy-pasted’ kan worden. Dat we tegenwoordig klonen kunnen verandert daar niets aan: klonen is louter het copieren van de genetische informatie - van de eerste productschets, zeg maar - niet van het product zelf. Mensen worden nog altijd geproduceerd op de ouderwetse, ambachtelijke manier. De groeiende vrucht en de baarmoeder vormen een uiterst delicaat systeem dat elkaar op allerlei cruciale momenten aanvult en bijspringt. Geen cel weet van te voren wat voor cel hij uiteindelijk zal gaan worden. Ligt een willekeurige nieuwe cel toevallig naast een berg ‘oorcellen’, dan wordt die cel, hoppakee, ook een stukje van het oor. Maar pak je diezelfde cel en stop je hem ergens in de buurt van het prille begin van een grote teen, dan wordt die cel met evenveel gemak een stukje grote teen. Producten in de natuur worden gemaakt onder invloed van de locale omgeving, ze worden geregeerd door toevalligheden en een subtiele timing. Het proces voltrekt zich bovendien in kleine ‘iteratieve’ stappen, waarbij elke nieuwe fase voortbouwt op de vorige. Een levend wezen is in elk stadium al een volledig werkend systeem: het is altijd ‘af’ - en tegelijk kan het ook altijd nog weer ‘doorontwikkeld’ worden. Zowel voor als na de geboorte, uiteraard. Ik doe een voorspelling: het productontwerpen zal dezelfde kant opgaan. De fabrieksmatige massaproductie zal langzamerhand worden verdrongen door een nieuw soort ambachtswerk: individuele, incidentele gebruiksvoorwerpen worden per stuk, stap voor stap gemaakt, samen met een enkele unieke gebruiker, die dat product helpt te groeien en verder te ontwikkelen. Een gebruiker die zijn persoonlijke product zal koesteren als ware het zijn eigen kind. Weg met de massaproductie, leve de potentie van de kiem!

Update 15-sept: vandaag was ik met mijn studenten in Protospace, een gesubsidieerd project gevestigd op het industrieterrein achter de Cartesiusweg. Wat ik hierboven schets is voor een deel al werkelijkheid met deze Protospace: iedereen die iets wil maken, met professionele machines, kan daar terecht. Er is een laser-cutter, een freesmachine, een foliesnijder (voor stickers e.d.) en een 3D printer. Check de site om te weten wat je met die machines kan. Je betaalt enkel de kostprijs. Je hoeft nergens ‘van te zijn’, ook gewoon als je voor jezelf graag iets wilt maken maar er niet de middelen voor hebt kun je daar aankloppen. Meer over protospace volgt hier op mijn weblog.

Popularity: 12% [?]

from product design daily, discussie, dagelijkse ergernissen, human technology

From Product Design Daily (2)

Het is altijd een goed teken als je stukjes discussie oproepen. In mijn eerste bijdrage aan From Product Design Daily (slechts op intranet bereikbaar voor studenten van de hogeschool Amsterdam, Product Design), schond ik flagrant - zoals dat heet - de privacy van mijn geliefde Tante Ans. Mijn excuses. Maar het kan erger. In het volgende stukje stoot ik - naar waarschijnlijkheid - al mijn managers en directeuren voor de voeten. Zet ik mijn baan nu al op het spel?

From Product Design Daily: bijdrage 2.

De school is verhuisd naar een nieuw gebouw. Op de eerste verdieping zetelen de docenten op hun nieuwe ‘flex-plekken’. Het ziet er netjes uit. De architect heeft gekozen voor een bruin-zwart concept met een strenge uitstraling, waarin halfhoge rijen kasten en grote zes-persoonstafels elkaar afwisselen. Blokje rijtje blokje rijtje blokje rijtje, als ware het een fabriekshal uit de negentiende eeuw. Maar dat is het natuurlijk niet. Hier en daar zijn al tekenen van verzet waarneembaar. Een dissonante doos whiteboardvegers, schijnbaar achteloos bovenop de gladde kasten gelegd. Een weerbarstige kastdeur die al drie dagen half open staat en waar papieren zomaar uitsteken. Iemand die zei: “Weet je, ze halen alles weg van je tafel wat je ‘s avonds niet opruimt. Dus als ik dit kapotte kopje hier gewoon laat staan, wordt het vanzelf opgeruimd. Handig!”.

Nou heb ik diep respect voor mensen die het voor elkaar krijgen zo’n gebouw te bedenken en het dan ook nog te maken. Hoe ingewikkeld dat niet is, en met hoeveel dingen je wel niet rekening moet houden? Het is knap, als het er uiteindelijk staat en als het zo is geworden als je van plan was. Petje af. Maar toch, wat zou er nou precies omgaan in de hoofden van de directeuren en de architect, als er nagedacht moest worden over het gebruik? Waar spraken ze over, tijdens hun vergaderingen? Was er niemand die zich afvroeg of mensen hier prettig in zouden kunnen werken? Natuurlijk, er zijn altijd mensen die graag in een strakke, opgeruimde ruimte zitten. Maar was er nu werkelijk niemand die zich realiseerde dat veel mensen gewoon rommel willen maken, dat ze die rommel willen laten liggen en in die rommel vervolgens precies de inspiratie vinden om de dingen te kunnen bedenken en te kunnen maken die ze moeten bedenken en maken? De architecten die ik ken willen zelf precies bepalen hoe hun eigen omgeving eruit ziet. In zo’n omgeving leveren zij hun prestaties. Maar dan moet je toch kunnen begrijpen dat dit ook voor anderen geldt?

Ach, ik snap het wel, op papier ziet het er natuurlijk gewoon erg mooi uit. En als je eenmaal zo’n strak concept hebt bedacht, dan is het lastig te accepteren dat niet iedereen denkt langs jouw (kast)lijnen. Maar vorige week nog besprak een artikel in het NRC-Handelsblad hoe belangrijk het is dat werknemers hun eigen werkplek op een persoonlijke manier kunnen inrichten. Met een beetje rommel. En een stapeltje papier op de hoek. En die Post-Its op de monitor. Een vingerplant. En foto’s van je kinderen. Tja, dat had ik je zo wel kunnen vertellen. Alleen waarom mag zoiets nooit, als er eenmaal voor ‘design’ wordt gekozen? Dat zou ik wel eens willen weten. Alsof design altijd stofvrij moet wezen - wat een onzin. Ik zou zeggen: blader in dat verband vooral eens door het boekje van IDEO, getiteld: “Thoughtless Acts”. Het is een ode aan de mens en zijn recalcitrante vindingrijkheid. Het staat vol met foto’s van mensen die allerlei objecten en ruimtes hebben gebruikt, vervormd en aangepast, op originele manieren die ontwerpers nooit hadden kunnen voorzien. (Zie ook: http://www.flickr.com/groups/thoughtlessacts/).
De foto die erbij hoort zal ik ook maar anonimiseren, het betreft hier dhr. R. A. te R. (maar op de foto was het: te ’s G.) ra_te_r.png

Popularity: 20% [?]

from product design daily

37u92d0o

Ik schrijf sinds kort voor de opleiding Product Design van de HVA, die Rik heeft opgezet, af en toe een stukje voor een heuse Daily, op het intranet daar.

Dit was het eerste stukje, dat voor een deel overeenkomt met een post hier op deze site (maar goed dat zijn jullie al lang vergeten, dus hier komt hij nog eens, in vernieuwde vorm…)

 37u92d0o

Moderne mensen  zoals jij en ik moeten een ongelofelijke hoeveelheid onzinnige zinloze feiten onthouden. In onze informatiemaatschappij merk je dat direct aan de problemen die mensen ondervinden met het onthouden van pincodes, creditcardnummers, sofinummers, wachtwoorden, postbankpasnummer, bankrekeningnummer (2x) etc.. etc.. etc.. Neem bijvoorbeeld wachtwoorden. Als nieuwe student krijg je vast ook weer een account. En het wordt alleen maar meer. Ik moet inloggen op mijn werk (in 3 systemen), in mijn persoonlijke email (in 2 varianten), in een weblog, mijn krant, de postbank, Hyves, Linked-in, Plaxo, Jottit, Flickr, Flakr, Flokr en wat al niet. Ik gebruik eigenlijk bijna voor alles hetzelfde wachtwoord. Onverstandig, maar wat verwachten die programmeurs dan ook van mij? Ik ben toch geen computer? Zo moest ik voor mijn oude internetprovider inloggen met username 37u92d0o. En dat mocht ik niet veranderen! Een mooi voorbeeld van slecht interface ontwerp. Donald Norman, een guru op het gebied van ‘usability’, doceert ons dat zulke structuurloze kennis het lastigste te onthouden is. Je kunt het nergens mee associeren. Je kunt het niet beredeneren of berekenen. Je moet gewoon maar hopen dat het door eindeloze repetitie in je brein slijt. Of, wat iedereen natuurlijk doet: het opschrijven. Op een geeltje dat je op je monitor plakt. Lekker handig, ook voor de inbrekers. Kinderen die opgroeien met de computer zullen er minder moeite mee hebben trouwens, tenminste, als ze hun hele verdere leven dezelfde wachtwoorden blijven gebruiken. Als kind onthoud je de meest gekke dingen – en voor altijd. Je hoofd is nog leeg en vers, daar kan nog zoveel in. Vergelijk je geheugen met een grote opbergdoos: wat onderin ligt blijft er het langste in liggen. Zoals het eerste telefoonnummer dat ik ooit leerde, het nummer van tante Ans: XXXXX. (Update: Mijn privacy-expert-vader Jos deed me er toe besluiten dit nummer toch maar te anonimiseren. Tante Ans vraagt of jullie haar niet meer willen bellen…) Of neem deze structuurloze reeks:
weg
doel
als
tol
nek
koek
leek
vlug
kort
tafel
zoom
slapen
opeens
helemaal
vluchten

muurvast
taalwerk
doorknippen
beweeg

tandvlees
leeftijd
opdracht
waaien
loeien
goudland
Dit zijn de eerste woorden van een taaltest, die ik elk jaar moest oplezen van een kaart. Zoveel mogelijk in 1 minuut. Het is nu 20 jaar geleden dat ik die kaart voor het laatst onder ogen heb gehad. Maar ik kan dit rijtje nog altijd moeiteloos opnoemen. (Tot aan goudland. Wat volgens mij helemaal geen woord is. Maar in mijn herinnering stond het er echt: goudland). Zeg, weet je het wachtwoord nog voor deze site?

Popularity: 10% [?]