Archive for the 'fictie' Category

ant on the beach, human technology, fictie

Being There

being-there-met-afstandsbediening.jpg

Er is een beroemde film: Being There, met Peter Sellers, gebaseerd op het gelijknamige boek van Kosinsky. Sellers speelt een tuinman die licht verstandelijk gehandicapt is (althans zo interpreer ik het) en die uiteindelijk bij de president als adviseur eindigt omdat de mensen om hem heen aan zijn uitspraken allemaal diepgaande betekenis toedichten die er helemaal niet in zat. Zo interpreteer ik ook het boek van Andy Clark, Being There. Toepasselijk hier is het idee van de mier op het strand (van Herbert Simon Zie ook deze website). Ik zit nu heftig in de mens-computer interactie. Daar wordt Being There, ofwel, het idee van “embodied interaction”, met name verwoord door Paul Dourish in zijn boek ‘Where the Action is’). Dus vond ik het wel leuk te zien dat ook tuinman ‘Chance’ al op zijn eigen wijze met dit bijltje gehakt heeft… 

Popularity: 20% [?]

human technology, fictie

How to talk to people

Ik wilde altijd nog eens een boekje schrijven: “Humans 1.0, the ultimate user guide”. Vanuit het perspectief van een techneut: wat moet je weten van dit soort gekke machines, genaamd Mensen. We hebben trouwens al zo’n boekje thuis liggen, dat gaat over baby’s: Hoe werkt je baby? (Met uitleg als: dit is het input-kanaal, dit is het output-kanaal, etc.., compleet met bouwplan en extra features).Donald Norman heeft in zijn nieuwste boek een (PDF) bijlage die er ook erg dicht bij in de buurt komt. Erg grappig verhaaltje. Het lijkt een beetje op I am John’s Brain van Andy Clark. Volgens mij is er een heel genre van te maken: een maatschappij-kritische blik op de wereld “vanuit de ogen van” …de robot, de mier, het brein (of het lichaam?), het kind, de autist, moeder aarde, de baby, de vleermuis, de aliens(aanrader: youtube versie!)…. enzovoorts. (missing links welkom, wat kan er nog meer bij?)

Popularity: 21% [?]

fictie

Maandag, je bent er weer!

Vanochtend was het een heel duidelijke maandag. Je hebt verschillende soorten maandagen. Zeldzaam zijn de maandagen die zich voordoen als zondagen, behalve dan natuurlijk de ingeroosterde, christelijke zonmaandagen. Ronduit irritant zijn maandagen die doen of ze dinsdag of zelfs donderdag zijn, he bah wat heb ik daar een hekel aan. Vandaag was het echter een recht-toe-rechtaan heldere volstrekt duidelijke maandag.Het regende.En bovendien was het voor mijn medereizigers in de trein ook erg duidelijk ‘de eerste maandag na de vakantie’. Dat versterkt een maandag altijd enorm. Een soort maandag-boost, geeft dat.De trein was vol.En bovendien was iedereen heel erg druk bezig met zijn eigen plekje en of er wel genoeg ruimte was en of je niet op mijn jas zat en of ik wel met mijn laptop aan de slag kon en of de koffie niet over mijn papieren zou vallen en of ik er wel langs kon en of die papaplu niet op mijn hoofd drupte en of ik wel op tijd bij de deur bij de trap bij de hal bij de uitgang zou zijn…Ik wreef eens in mijn ogen.En bovendien keek ik heel stug in mijn boek, haalde diep adem, luisterde naar mijn muziek via mijn ‘ik ben hier niet’-oordoppen, negeerde het gezucht en gerommel van buur- en overbuurmannen en liet alle enge maandagochtendgedachten ongelezen voorbij fladderen, zonder er ook maar een seconde aandacht aan te besteden (want dan ben je het haasje!).Maandag: je bent er weer!

Popularity: 13% [?]

trein, fictie

Waarheen, waarvoor

M > HC treintelefoon alstublieft HC treintelefoon.
C > Machinist treintelefoon defect s.v.p. melding via intercom. Machinist, treintelefoon defect.
M > HC .. eh.. tja dat is wat lastig nu dat de treintelefoon is uitgevallen. HC herhaal lastig dat treintelefoon is uitgevallen, HC
C> Machinist kom er maar in dan Machinist, we zullen het er mee moeten doen, kom er maar in Machinist via de intercom
M > HC ok dan maar via de intercom. HC, luister, ik zit met een probleem.
C > Machinist maak van uw hart geen moordkuil wat hebt u op uw lever gooi het er uit laat het niet rotten Machinist herhaal geen moordkuil lever niet laten rotten.
M > HC, hoe moet ik het zeggen… ik weet niet of ik nog wel verder wil.
C > Machinist?
M > HC, laat ik er nu maar geen doekjes om winden, ik zit hier nu in de locomotief van deze intercity en we staan, zoals u weet, nu al twintig minuten stil. Ik heb u eerder gezegd dat we voor een rood sein staan. De werkelijkheid is dat we nu al weer 17 minuten lang groen licht hebben.
C > U zegt, groen licht, Machinist?
M > Ja, ik kan me het rumoer in de coupe’s nu wel indenken, HC. De verontwaardigde gezichten, de fronzen, het gefluister. De keurige heren die van hun krant op kijken. De dertigers die hun hippe MP3-spelers uitzetten en zich afvragen wat er toch in godsnaam allemaal omgeroepen wordt. De bejaarden met de suizende gehoorapparaten die het allemaal net niet verstaan kunnen. Maar het is niet anders. Ik zit hier en ik kijk zo eens voor me uit over de spoorbaan en ik denk: waarom zou ik hier nog mee doorgaan?
C > Machinist, misschien is het verstandig als ik…
M > Nee nee HC, nou niet terugkrabbelen. Net was het nog van moordkuil en rottende levers, nu wil ik ook mijn ei kwijt. Ik bedoel, denkt u zich eens in mijn situatie in. Dat rijdt maar door de hele dag en almaar rechtuit of weer terug, heen en weer, heen en weer. Die eindeloze parallelle sporen die elkaar slechts aan de einder raken…, dat monotone ritme van bils op bils op bils… Ik kan er niet goed meer tegen HC. Ik wordt er depressief van. En dat volstrekt gedetermineerde noodlot dat mij onderroepelijk tussen deze twee sporen gevangen houdt. Ik heb geen greintje vrijheid. Alles is reeds voor mij bepaald. Ik bedoel, het maakt toch goedbeschouwd geen donder uit wat ik beslis, of denk, of doe, als alles al voorbeschikt is door het ijzeren lot? Wat doet het er nog toe wat ik wil? Wat ik er van vind? Heb ik nog iets in te brengen? Nee, zeg ik, nee HC. En dan denk ik bij mezelf: dan denk ik: nou, dan doe ik dus ook niet meer mee. Dan bekijken ze het allemaal maar. Met hun bilzen. En hun sporen. Dan blijf ik hier mooi midden in het weiland staan. Hoor je me HC?! Hoor je me?? IK BLIJF HIER GEWOON STAAN! IK DOE NIET MEER MEE! IK BLIJF GEWOON IN DIT WEI – krchcchccchhh HEE BLIJF VAN ME kkrrcchh BONK Pieeep DIT VALT BUITEN UW BEVOEGDHEDEN HC IK LAAT MET NIET ZOMAAR krrachhek AAAARCHAAA BONK ———————–
….
C > Dames en heren. De vertraging als gevolg van een kortstondige storing is voorbij. Het eerstvolgende station is …

Popularity: 17% [?]

fictie

Melvin

Melvin is mijn vertrek binnengekomen. Hij is begonnen mij te voeden. Dat merk ik aan de stijging van mijn suikerspiegel. Het vlees wordt weer verwend vandaag! Rillingen lopen over oude, evolutionair gegroeide zenuwbanen. Zou het zondag zijn? Voor mij is het al maanden en maanden zaterdag, dus ik heb geen idee. Ik heb een zaterdag-fetish de laatste maanden, dus ik kies elke ochtend voor zaterdag. Dat is mijn goed recht. Dat is ieders recht, althans, hier, waar ik ben. Maar Melvin trekt zich van dat soort virtualiteiten niets aan. Daar waar hij leeft volgen alle dagen van de week elkaar nog medogenloos op, de een na de ander. Slechts eens in de zeven dagen is het zondag. Op zondag krijg ik extra suikers en een kippe-ei. Waar hij die eieren vandaan haalt is me een volkomen raadsel, maar interesseren doet het mij niet echt.

Ik weet niet hoe Melvin eruit ziet. Ik weet niet eens hoe ik er zelf uit zie. Maar ik kan me wel een voorstelling maken. Er zijn hier wel beelden, natuurlijk, gemaakt in de fysieke wereld en verzameld door gekken, fetishisten, psychiatrisch patienten. En alhoewel niemand het hier zou willen toegeven heeft iedereen die beelden wel eens bekeken. We zijn erg lelijk. Althans, fysiek gezien. Gelukkig hoeven we daar nooit echt naar te kijken. Maar de gedachte gaat wel eens door je hoofd, dat kun je niet uitzetten, als je met een prachtige vrouw in de bar staat te praten. Je ziet haar welgevormde lichaam en je hoort haar zwoele stem en ineens denk je: een berg vet. Een berg vet. Veel meer is het niet. Een berg, lelijk, lillend, hangend, blubbend vet. Als ik mezelf zou moeten omschrijven zou ik zeggen: ik ben naar schatting zo ongeveer driehonderd kilo lillend vet. Een vetberg. Die berg ligt in een thermoruimte en wordt eens in het half huur mechanisch gedraaid om doorliggen te voorkomen. Onderaan ons afstotelijke lichaam hangen wat slappe aanhangsels. Melvin zou nog weten wat je daar mee aan zou moeten. Maar die kant van onszelf is uberhaubt ondergestimuleerd geweest en daarom nauwelijks ontwikkeld. De andere kant echter, wat vroeger de bovenkant geweest moet zijn, die is interessanter. Wij hebben een groot hoofd. Een hoofd dat er in aanleg niet zeer anders uit ziet dan bijvoorbeeld het hoofd van Melvin, althans, zoals ik mij het hoofd van Melvin voorstel. Een hoofd zoals een mensenhoofd er al millenialang uit moet hebben gezien. Maar de meeste gaten in het hoofd zijn gevuld en gesloten. De oren zijn onherkenbaar verschrompeld. Het schijnt dat wij in rudimentaire vorm nog oogbollen hebben. Je zou ze van de buitenkant niet meer kunnen zien want onze oogleden zijn gesloten en vergroeid en zouden zich nooit meer kunnen openen. Het enige dat nog vollop in leven is, is de mond. Hierin steekt een buis. Deze buis voert naar een verdeelstation. Daar doet Melvin zijn werk.

Het zou natuurlijk evengoed mogelijk zijn geweest om mij rechtstreeks in de bloedbaan te injecteren. Er zijn experimenten mee geweest. Het bleek moeilijker dan gedacht. Het spijsverteringssysteem is een complex systeem. Miljoenen neuronen houden zich er zoet mee. En die neuronen kun je niet zomaar uitschakelen. Want de neuronen zijn het goud van deze tijd. We lieten de spijsvertering dus intact. En daarom voedt Melvin mij ‘good old fashioned’ via mijn slokdarm suikers, vitaminen en koolhydraten – en gezuiverd water.

Mijn hoofd is groter dan dat van Melvin, daar kan ik met 99% zekerheid van uit gaan. Het bevat namelijk een anderhalf keer zo grote cortex. En die cortex is verbonden met de wereld waarin ik leef. De matrix, zoals Martin het noemt, maar Martin is een cult-freak. In de matrix ben ik blond en gespierd. Het is verbazend te zien hoeveel blonde gespierde mannen er hier zijn. Je zou zeggen dat de aardigheid er dan wel snel af gaat, als iedereen blond en gespierd is. Niets is minder waar. Blond en gespierd is wat ons spijsverteringsstelsel ons opdraagt te wensen te zijn.

Wij leven in twee werelden, Melvin en ik. Ik ben zijn werkgever, maar we hebben nooit een woord met elkaar gewisseld. Ik weet wel het een en ander over zijn wereld. Het is er donker, vervuild, vergiftigd. Er is teveel smog, te weinig ozon, teveel regen, te weinig drinkbaar water. Melvin leeft hoogstwaarschijnlijk met zijn gezin in een krot in een wijk met krotten en komt elke dag naar mijn physical om mij te voeden en zijn salaris te incasseren. Zo deed zijn vader dat voor hem en zijn vader voor hem bij mijn vader. Familiebanden zijn cruciaal in zijn wereld en dat zijn ze ook in de onze. Het laatste dat je wilt is dat je in de handen komt van Physical Wellfare, die je direct een poot uitdraaien door je bankrekening te blokkeren en je te verplichten kleding te dragen met het logo van het PW bureau. Maar ja, wat moet je, als je voeder sterft of ineens wegblijft, en je suikers dalen en je geen familie hebt om je op te vangen?

Mijn homeostase bereikt zijn equilibrium. Als ik zou kunnen zuchten zou ik zuchten. Een rekening komt binnen en ik betaal, zoals altijd. Het is mijn enige virtuele contact met de fysieke wereld. Met Melvin. Melvin zal een nummer krijgen dat hij zal vermenigvuldigen met een nummer in zijn hoofd dat hij alleen kent. De uitkomst zal hij invoeren in een of andere antieke bankmachine in een antiek gebouw dat verzuurd is door de regen. Daarmee zal het saldo van zijn rekening stijgen voor precies het bedrag dat het bij mij zal dalen. En met dat saldo zal hij zijn ding kunnen doen, daar op straat. God mag weten hoe hij het volhoudt. Maar hij houdt het vol. En daarmee houdt hij mij in leven.

Melvin, je weet het niet, maar ik hou van je.

Popularity: 13% [?]

fictie

Ricket!

Hi iedereen whos online.

En de juf o’course goedemorgen ms Jannie.

Ik heet Merrin as you all know. Ik wil mijn bookPres doen over een waycool Ricket oud boek van wayback. Laatst kreeg ik namelijk van mijn opa een book over wayback, like echt in het begin van dit millenium youknow? Weird man. Mijn vader was nog niet geboren. Hell mijn opa was nog niet eens geboren.

Anyway. Veel mensen don’t realise nowadays dat de spullen die je gebruikt in daily life vroeger heel omslachtig gemaakt werden. Fabricated. Toen had je nog geen Printers weet je wel. De tijden waren anders back then. Ik zal proberen uit te leggen hoe dat ging toen. Stond allemaal in this book weet je wel. Echt ricket.

Ok. Basically there waren grote buildings en die heetten Factories. In een Factorie werkten allemaal mensen en bots together en die maakten alles right from scratch weet je wel? Van base materials. Maar dat duurde lang! Dat koste wel een couple’hours of langer om iets te maken. En al die spullen werden dan met wheel-cars naar distribution-centres gebracht en dan weer in kleine wheelcars naar shops. Maar geen gewone shops maar een soort echte stenen gebouwen met een door en daarin lagen alle physicals . En daar bleef het dan allemaal nog weer dagenlang liggen? En dan, weird, gingen mensen specially naar een shop om die dingen te kopen. Imagine! Een physical shop zeg maar, een building in de straat met een door en daar kon je gewoon naar binnen en daar stond dan een salesman, geen bot maar een mens en die ging jou dan die products verkopen? Ricket! Bijvoorbeeld had je een vork nodig? Dan ging je gewoon helemaal lopen of biken naar de city en dan ging je naar een special shop en daar was dan een mens en die stond de whole fucking day niets anders te doen dan jou vorken te verkopen!? Weird! Ricket!

Maar bijvoorbeeld, dit is allemaal uit this book youknow, ik weet niet of het echt waar is, maar dan hadden mensen bijvoorbeeld dus een vork nodig en dan gingen ze natuurlijk niet every fucking meal naar de city om een vork te kopen dus dan hadden ze een special place in the house en daar storen ze dan like six or acht or maybe tien vorken? Like unefficient? Die vorken lagen dus de wholefuckingday niets te doen? Totdat iemand ze ging pakken weet je wel? En op die manier lag het hele huis vol met dingen. Er waren kasten van hout en in die kasten waren allemaal dingen. Het hele huis vol. Dus je huis zeg maar stond gewoon helemaal vol met dingen! Die mensen hadden geen plek weet je, alleen maar dingen en die bleven alsmaar staan the whole fucking yearround! Weird!

En er is nog meer in this book want het zegt dat die mensen van toen van wayback dan als ze gegeten hadden die vorken niet konden vappen want vappen bestond nog helemaal niet, dus dan gebruikten ze die vork gewoon weer another day voor de next meal? Like Yuck! Maar het was niet echt superyuck or anything omdat ze die vorken dan konden cleanen met water en dat water kwam gewoon running from the tap - like iedereen had gewoon een tap in house? Now DAT is wayfuckingcool! Maar natuurlijk ook completely moronic want daardoor is ons water nu superschaars as we all know want iedereen gebruikte dat water voor echt de stupidest things like cleaning the floor and so on.

Ok so als je echt iets wilde vappen omdat je huis te fucking vol werd zodat er niets meer in pastte of omdat het kapot was dan gooide je het gewoon in een soort can en dat werd dan opgehaald door LocalGov en dan werd het op een big pile gegooid en dat was dat? Dus het meeste van wat je kwijt moest dat werd gewoon dumped op die pile en it just stayed there? Weird. Dus je begrijpt al dat er steeds meer dingen gemaakt werden door die factories maar er werd nooit iets gevapped dus op een gegeven moment waren er alleen nog maar dingen maar geen basic materials meer en toen begon dat op te raken en toen konden ze niks meer maken in die factories.

Well en toen kwam Prof. Oya as we all know en Oya die deed twee inventions en die invention was de Printer en de Vap. En mr Oya is Ricket want alles wat je kan vappen dat gebruikt de Printer weer om te Printen en op die manier is er balans nu en wayback was er geen balans. En dan vertel ik het kort want er waren sev’ral versies van de Printer maar de Printer van today is de laatste en Oya made it so dat als wij een een nieuwe Printer maken op een Printer dan krijg je de laatste versie van de Printer opnieuw dus er komen nooit nieuwe versies Printers meer. En daarom blijft alles in balans.

En dus als je vanavond gaat eten en je print een vork dan moet je bedenken dat het allemaal heel anders is dan wayback en als je klaar bent met dinner en je Ma vraagt of je de leftovers wil Vappen dan moet je niet zeuren want in de old times moesten kinderen hours’n'hours met water aan de gang om al die vorken weer te cleanen en alles weer in die kasten te stoppen voor de next day.

Dit was mijn bookpresentation.

Any questions?

Popularity: 14% [?]

fictie

De avonturen van Mijnheertje Zoetebier

De vrouw van mijnheertje Zoetebier had boven de stortbak van het closet een spiegeltje gehangen. Een vreemde plek, te meer daar een vrouw, gezeten op de porceleinen pot, aan een spiegeltje boven de stortbak weinig plezier kan ontlenen.

Voor mijnheertje Zoetebier was het echter een andere zaak. Als hij in hoge nood het kleinste kamertje betrad, en zijn plasbuis al staande ledigde, was er altijd een moment — precies wanneer de catharsis intrad; en het parasympatisch zenuwstelsel de controle over zijn gewaarwording overnam — dat mijnheertje Zoetebier een blik omhoog wierp en zichzelf een blik waardig keurde.

Zo staande, terwijl de urine rijkelijk vloeide, en een lichte rilling zich over zijn ruggemerg verspreidde, vroeg hij zich dikwijls af, wanneer het moment zou komen dat hij zichzelf niet meer in de ogen zou durven zien.

Het moment was nog niet gekomen, godzijdank, maar soms was hij er dicht bij geweest. Een schok was het dan geweest, die ogen te zien, die grauwe blik, die hem vertelde, dat daar niet het mijnheertje stond, dat hij zou graag zou willen zijn. Dromen, idealen, normen en waarden vielen dan als een kudde paarden zijn bewustzijn binnen en begonnen aan alle kanten aan hem te trekken. Hierdoor vaak letterlijk uit het evenwicht gebracht, gaf dat meermaals een genante situatie van natte pantalons en bezoedelde tegels.

Mijnheertje Zoetebier was geen gelovig man, maar het dagelijks moment in de spiegel was voor hem als een biecht; een klein moment van waarheid.

Een spiegel is een vreemd object, reflecteerde Zoetebier eens, toen het schijnsel van de lamp de zweetdruppels op zijn gezicht weer eens deed glimmen. Enkel in de spiegel kun je jezelf, en niemand anders dan jezelf, een kus geven. En hij voegde daad bij woord, waarna hij opgelucht doorspoelde.

Popularity: 17% [?]

fictie

De avonturen van de heer J. Reewinkel

Hij had altijd in zijn binnenzak een stapel plastic kaartjes en een watervaste stift. Die kaartjes had hij speciaal laten snijden bij een drukkerij in een oplage van 500 stuks, met een kortingsoptie voor nog eens 500. Rechtsonderaan op ieder kaartje stond: “Met de meeste hoogachting, J. Reewinkel.” De stift was van de beste kwaliteit in zijn soort. In iedere kaartje zat een rond gaatje, dat gebruikt kon worden om het kaartje ergens op- of aan te hangen. Overal waar hij zich ergerde aan omgevallen fietsen, verkeerd geparkeerde auto’s of andere storende elementen op zijn pad, schreef hij een vinnig commentaar op een van de kaartjes, dat hij vervolgens met een vuilniszakbinder aan het bewuste onderwerp van zijn woede bevestigde. Bij een rijtje studentenfietsen die onderuitgezakt over de volle breedte van het trottoir hingen schreef hij: “Stel dat hier nu een kinderwagen langs had gemoeten?”. Bij een grote rozenstruik die naar zijn smaak te veel van de gevel af hing: “En een blinde dan, die nietsvermoedend met zijn gezicht deze doornen in loopt?”. Af en toe stak hij een kaartje in een hondedrol; tegen beter weten in: “Zal ik dan eens in uw woonkamer komen kakken?”. Er waren ook dagen dat hij met de beste wil van de wereld geen klacht kon bedenken over de wereld om hem heen. Dat was eigenlijk nog frustrerender dan alle fietsen, struiken en hondedrollen bij elkaar. Dan brandden de kaartjes in zijn binnenzak. Dan kon hij zich bijna niet inhouden, wilde hij een kaartje pakken, op een willekeurige gevel plakken en erop schrijven: “En ik dan? Wat moet ik dan, met al deze kaartjes, op deze vreselijk perfecte dag???”

Popularity: 13% [?]

fictie

Toen het licht uitviel - vervolg H2

[Dag lieve lezers. Sorry dat het zo lang duurde. Hier eindelijk het tweede deel van hoofdstuk 2. Het kan zijn dat er continuiteits-fouten ontstaan, zo van, dat nu zijn horloge rechts zit terwijl het eerst links zat enzo, daar heb je bij films aparte mensen voor die dat controleren. Maar dat soort onregelmatigheden daar moet je maar een beetje doorheen lezen. Tot snel weer - Jelle]

We sloegen de hoek om. Daar, in een donkere steeg, stond de grote groene bestelwagen van de bakker. Een auto! Daar stond Een Auto! Er waren niet veel auto’s op het eiland, maar ze waren er wel; natuurlijk waren ze er wel. Hoe werkt mijn brein, hoe lopen die onmogelijke nutteloze kronkels in mijn geest, dat ik hier twee uur lang heb lopen zwoegen op een bakfiets, terwijl er hier overal auto’s te vinden zijn? In carports, garages, maar ook gewoon op straat, op het erf, naast het huis onder de perenboom. De auto van de bakker, van het hotel, die Volvo achter het VVV kantoor: zonder enige moeite kon ik me onmiddellijk tien auto’s voor de geest halen die lopend bereikbaar zijn vanaf ons huis. Personenwagens, busjes, bestelauto’s, in alle kleuren en merken. Een hele bus stond in de haven weg te roesten. Ongebruikt, onbeheerd. En auto’s lopen op benzine. Niet op stroom. Niet op electriciteit, o nee mijnheertje: Op benzine. En al die auto’s zitten vol met benzine. Of tenminste halfvol. Of dan toch kwartvol. Waar was ik met mijn hoofd? Waarom dacht ik niet na?

‘Waarom zijn we niet meteen een auto gaan halen’, roep ik, tegen de gierende wind in, naar Peter, die rond de auto is gelopen, aan de portieren heeft gevoeld en nu aan een tuinhekje begint te wrikken. ‘En wat doe je daar eigenlijk?’. Peter antwoordt niet. Hij komt teruglopen met een lange metalen strip uit het tuinhek, die de horizontale houten panelen bij elkaar moest houden. Hij knipt een hoek uit het uiteinde van de strip met zijn combinatietang en steekt de strip boven het sleutelgat achter de rubberen lijst van het zijraam van het portier. De deur schiet open.

Ik sta met verbazing te kijken naar wat er zich voor mijn ogen afspeelt. Peter, de autodief! Maar vooral ben ik verbaasd over mijn eigen handelend onvermogen. Niets voeg ik toe aan deze onderneming. Ik heb zelfs kritiek op Peter, dat we niet direct een auto hebben gezocht en eerst met die bakfiets hebben lopen zeulen. Verdomme! Als hij naar mij geluisterd had waren we nu nog aan het zwoegen. Hij is me telkens een stap voor.

Waarom gebruik ik mijn hersens niet? Ik heb ineens een ongelofelijke hekel aan mezelf. Op de achtergrond van mijn gedachten, die heen en weer schieten tussen frustratie, paniek, en woede, hoor ik een auto starten. Verdomme! Ik gebruik mijn hersens wel, ik gebruik ze te veel! Ik sta hier alleen maar te denken. Simon: doe dan eens wat man! Ik voel mezelf plotseling in actie komen. Mijn lichaam heeft er genoeg van, dat is duidelijk. Het wil niet achterblijven, bij de sukkels, de denkers, de piekeraars. Het wil mee met Peter, de held, de daadkrachtige watersoldaat die ons zal bevrijden, beschermen, die handelt naar zijn hart, de juiste impuls op de juiste plaats. Ik merk dat ik spullen begin te sjouwen van de bakfiets naar de auto. Ik kan niet alles tegelijk dragen. Er valt wat uit mijn handen, ik probeer het te pakken uit een modderplas, ik struikel. Ik begin te janken. Ik kan niets! Helemaal niets! ‘Simon! kom even helpen, met die kar’, zegt Peter. Hij rijdt de kar richting de auto en begint de spullen over te laden via de zijdeur…

Ik zit in de bijrijdersstoel. Peter frummelt met draden onder het dashboard. Ik zit in een film. Er mist alleen nog een goede beat. Maar in plaats daarvan hoor ik mijn hart, mijn persoonlijke, biologische sound-track. Boem, Boem-Boem, Boem. Boem. De ramen beginnen geleidelijk aan te beslaan, maar daar zal Peter ook wel weer een oplossing voor weten, daar twijfel ik niet langer aan. Mijn kleren zijn geheel doorweekt. Langzaam beginnen mijn handen enigszins te ontdooien. Mijn voeten zijn nog ijsklompen. Op de achterbank ligt onze inbrekersuitrusting voor zo dadelijk. Tenminste, als we de auto aan de praat krijgen. Ik staar vooruit en zie niets meer.

Enige minuten later. Het is niet waar: Peter krijgt de motor niet aan! Dank u, O hemelse scenario-schrijver: ik zit toch niet in een B-film. Peter vloekt. Hij gooit de deur open en stapt naar buiten. Ik stap ook naar buiten. Toch maar met de bakfiets dan? Ik vraag me af of ik in staat ben om nog een uur door dit kloteweer te ploegen. Peter sleurt me mee naar de voortuin van de Bakker. Met een voetje van mijn kant is hij in een wip binnen door een bovenraam. Door het raam zie ik hem de voorkamer in lopen. Hij loopt recht op het dressoir af, trekt een laatje open, rommelt wat, en komt met iets terug naar buiten klimmen. De autosleutel.

Terwijl we met een kilometer of dertig per uur naar de fabriek rijden, de kachel op tien, vraag ik aan Peter: “Hoe wist jij nou, dat die sleutel daar was? Je hoefde helemaal niet te zoeken.” Ik probeer niet te laten merken hoe verdacht ik het allemaal vind. “Als ik een auto had, zou ik de reservesleutel daar leggen”. Is het zo simpel?

Ik zal hier niet schrijven over de rest van de onderneming. We bereikten de fabriek, we kwamen er binnen, we verlieten de tent met de door ons begeerde flessen water. Allemaal zonder noemenswaardige problemen. Althans, zonder noemenswaardige problemen in de eindeloos doeltreffende pragmatiek van Peter. Ik zag talloze niet bestaande beren op de weg, zoals nu wel duidelijk moge zijn.

We komen er nu eens in de zoveel weken. Volgens onze berekeningen kunnen we het nog twee jaar volhouden met de voorraad die daar ligt opgeslagen.

Wij zijn de waterdragers. Alleen Peter en ik. De anderen beginnen er nooit over, het is een ongeschreven regel dat Peter en ik het water halen. Ik vraag me nog steeds af waarom hij mij altijd meeneemt. Maar ik durf er niet goed over te beginnen. Een ander punt wat me bezig houdt is dat hij de anderen nooit verteld heeft over de auto’s. Niemand weet dat we af en toe een auto ‘lenen’. We vertrekken altijd met de bakfiets en we komen altijd terug met de bakfiets. Enorm gedoe om al die flessen weer over te laden, maar Peter wil het zo. Als het minder slecht weer is doen we alles op spierkracht, dat spaart de benzine. Bij noodweer kapen we ergens een auto, waar nog benzine in zit. Ik heb het hem eenmaal gevraagd. Hij reageerde kortaf: “Luister Simon. En dit is meteen het laatste dat ik erover zeg: Mensen hoeven niet alles te weten”.

Mensen hoeven niet alles te weten. Pfff. Een tijd lang heb ik me afgevraagd waarom ik het spelletje meespeel. Peter heeft me nooit gezegd dat ik mijn bek moet houden. Dat ik het niet door mag vertellen. Geen ‘our little secret’-scenes in onze waterfilm. Waarom zeg ik niet: jongens, we gaan met de auto hoor. Dat met die bakfiets, dat is pure schijn. Hee, iedereen, luister eens: iedereen kan met de auto. Heb je zin om te crossen? Zullen we een potje joy-riden? We kunnen alle auto’s jatten die er zijn op dit eiland. Peter weet precies hoe het moet. We doen het elke week! Wie wil er een ritje maken? Peter kan zo goed auto’s jatten, dat heeft hij vast vaker gedaan, hee, nietwaar, Peter, hee, Petertje, dat heb je vaker gedaan of niet jongen? Waarom zeg ik dat niet? Maar ik weet wel waarom ik dat niet zeg. Het is pure angst.

Popularity: 13% [?]

fictie

Toen het licht uitviel - H2

[Wat leuk dat er meerdere reacties zijn gekomen op mijn sci-fi verhaal. Nu moet ik er natuurlijk wel mee verder. Ik weet niet of ik echt heel hoofdstuk 2 nu uit de pen krijg, maar ik maak vast een beginnetje. Commentaar op het verloop van het verhaal, inconsistenties, ideeen etc.. zijn meer dan welkom]

2

Twee dagen geleden ben ik begonnen met deze schrijfoefening - het woord scheepsjournaal komt in me op, terwijl ik toch nog steeds vaste grond onder mijn voeten heb - en de zon heeft zich nog altijd niet laten zien, ook niet overdag. Gisteren heb ik niet kunnen schrijven, omdat we weer op strooptocht zijn geweest. Ik was zo moe dat ik voor het eerst sinds weken zonder problemen in slaap ben gevallen. Als we vaak op strooptocht zullen gaan, zal ik heerlijk slapen, en wordt het met dit dagboek niets meer.

Ik moet misschien iets uitleggen over onze situatie, en dan met name voor wat betreft het voedsel en water. We hebben geen stromend water - de waterdruk is weggevallen - en we durven nog altijd geen ongekookt regenwater te drinken. Peter heeft het wel een keer geprobeerd, hij heeft overal schijt aan. Weer een onbedoelde grap gemaakt, merk ik, want hij had direct een week diarree.

We drinken dus geen ongekookt regenwater, maar het brandhout begint schaars te worden en daarom proberen we het zo lang mogelijk te redden met flessenwater. Dat klinkt gek, maar er is hier ongelofelijk veel bronwater op het eiland, vanwege de Opslag. In de Zuid-Haven is een distributie-depot van Sourcy, in de volksmond de Opslag genoemd. Vanuit ons eiland wordt bronwater verder vervoerd naar de Scandinavische landen.

Een paar maanden geleden, toen we voor het eerst de uitputtelijkheid van het brandhout onder ogen begonnen te zien, kwam Peter met het idee om in te breken in de Opslag. Hij bracht het zonder omwegen: ‘Simon en ik gaan er heen, Marieke en Johannes bewaken het huis’. Waarom hij mij uitkoos was me destijds een raadsel. Ik ben geen held, ik ben niet sterk, niet handig, heb twee linkerhanden. Wat heb je aan mij, als je deuren moet openbreken en dozen water moet verslepen? Bovendien was Peter geen directe vriend van mij, hij kende Johannes al langer; zou je niet liever met een goede maat een dergelijke actie ondernemen? Maar nu, terugkijkend, denk ik dat hij heel bewust voor mij koos op dat moment. Niet omdat hij zo veel aan mij zou hebben, maar omdat hij mij het liefste in de buurt had, zodat hij juist geen last van me zou hebben. Peter werkt volgens een aantal principes. Een van de principes is: houd je problemen zo dicht mogelijk bij je in de buurt, dan heb je er de meeste invloed op. En het grootste probleem van de hele onderneming was ik, want hij voelde feilloos aan dat ik een tegenstander zou zijn geweest, had er werkelijk een discussie over ontstaan. Peter heeft een speciale sensor voor angst, voor conservatisme. Door mij direct bondgenoot te maken van zijn plan hield hij de touwtjes stevig in handen.

Peter en ik zijn om volstrekt verschillende redenen niet met de evacuees mee vertrokken. Voor mij was het angst, angst voor het onbekende. Voor Peter was het eerder een avontuur om te blijven, dan om te gaan. Iedereen ging al mee met de reddingssloepen, dan was er voor hem geen lol meer aan. Dertig mensen vonden dat de reddingssloep de meest veilige optie was? Al te meer reden voor Peter om dan juist te blijven. Het interessante eraan is dat we uiteindelijk allebei bezig zijn met zelfbehoud. Ik door stilletjes te blijven zitten waar ik zit, de schutkleur van het gras aannemend in de hoop dat de roofvogel mij over het hoofd ziet. Peter door op jacht te gaan, een prooi te vangen, zijn territorium uit te breiden. Normaal gesproken zie je dat soort verschillen alleen tussen diersoorten. Zou de mens de enige soort zijn die beide rollen aanneemt? Is er daarom kannibalisme onder mensen? En oorlog? Hier had ik over kunnen praten met Ruben. Hij had wel geweten of er nog diersoorten waren waar hetzelfde fenomeen bestaat. Maar ik moet niet aan Ruben denken. Ik zal over hem schrijven wanneer ik sterk genoeg ben, niet nu.

We vertrokken bij dageraad, of wat daar voor doorging. Ik was bij het opstaan begonnen met nadenken over het plan, en hoe we het zouden aanpakken. Ik had een regenpak klaar gelegd, en laarzen. Ik wilde op zoek naar de gereedschapskist maar Peter riep van beneden: “Hee daar slome, we zijn al vertrokken, kom op!”. Beneden aangekomen bleek dat Peter een stuk praktischer had nagedacht dan ik en zich bovendien al had voorbereid. De bijkeuken stond vol met spullen, hamers, bijtels, een groot stuk staal, kettingen, touw. Buiten, bij de deur, stond een bakfiets. Waar had hij die nu zo ineens vandaan getoverd? En wanneer had hij dat gedaan, ’s nachts? Ik was de hele nacht wakker geweest en had niets gehoord. Hoe kon hij zo snel al die spullen bij elkaar gezocht hebben? De doelgerichtheid van Peter sloeg me koud in het gezicht: wat was ik toch een eindeloze piekeraar. Waarom niet die daadkracht van Peter, als het aan mij had gelegen waren we die dag enkel nog maar met de voorbereidingen bezig geweest.

We fietsten om beurten op de bakfiets, terwijl de ander er met een gewone fiets naast reed. De Opslag was aan de andere kant van het eiland, en onderweg passeerden we enkele huizen en het dorp bij de vuurtoren. Daar gebeurde iets dat me nog het meest is bijgebleven van de hele tocht. Het was koud, guur, de regen gutste met grote stralen aan alle kanten langs mijn regenpak naar binnen, ik was nat tot op het bot. Ik ploegde voort op de bakfiets, die log en zwaar was. We hadden straffe zijwind, die af en toe met aggressieve vlagen om de hoek van struiken of gebouwen kwam zetten. Dan moest ik alles op alles zetten om de fiets weer in beweging te krijgen. Peter had de fiets al laten staan en hielp met duwen, om dan met een drafje mee te hollen zodra ik weer enige vaart kreeg. Op een gegeven moment, midden op het dorp, riep hij plotseling: “Hier gaan we rechts!”. Ik schudde van nee. “De Opslag is die kant op” riep ik terug, en wees recht vooruit, langs de vuurtoren. “We gaan hier rechts!” schreeuwde hij, en trok aan mijn stuur. “Waarom dan?” riep ik. Maar hij gaf geen antwoord.

…wordt vervolgd lieve mensen…

Popularity: 13% [?]

Next »