Gibson en de theepot
De dingen zijn niet altijd zoals ze eruit zien. Neem het uiterlijk van een product. Het is een simpel en bekend idee dat het uiterlijk van het product een soort plaatje is. Dat plaatje komt je hoofd binnen via je ogen. Je ogen zijn dus een soort camera’s. Beeld komt binnen, wordt opgeslagen in de vorm van neurale activatiepatronen en zo het brein ingestuurd, voor verdere verwerking.

[figuur 1: de bekende Norman theepot]
Bij de afdeling plaatjes-verwerking in je hersenen zitten dan een paar miljoen hersencellen de boel weer te decoderen: jongens, wat zien we hier? Een theepot? Een kunstvoorwerp? O, ik zie het al, het is de voorkant van dat boek van die Donald Norman, guru in de gebruiksvriendelijkheid.
Don Norman, nu we het toch over hem hebben, is erg beinvloed door de waarnemingspsycholoog James Gibson. En Gibson zou erg protesteren tegen bovenstaande voorstelling van zaken. Ogen zijn helemaal geen camera’s, en het beeld van het object is geen plaatje dat je hoofd binnen komt en vervolgens gedecodeerd wordt, zou hij zeggen. Gibson deed onderzoek naar de visuele waarneming van vliegtuigpiloten. Een van de eerste dingen die hij ontdekte is dat vliegtuigpiloten enorm veel informatie halen uit wat hij ‘optic flow’ noemde. Optic flow wil zeggen: hoe het visuele signaal verandert door de tijd als gevolg van je eigen bewegingen. Als ik in een bommenwerper over een slagveld scheer, dan vliegen alle beeldpunten in mijn visuele veld vanuit een centraal punt recht voor mij, langs me heen naar boven, onder, links en rechts van mij, en zo tot ze uit mijn visuele beeld verdwijnen. Een beetje zoals de sterrenstelsels langsschieten in de aftiteling van Superman films. (Als je die kent).

[Figuur 2: Het originele ‘optic flow’ plaatje van Gibson]

[Impressie van de informatie voortkomend uit de optic flow tijdens autorijden]
Het centrale punt waar al die beeldpunten uitkomen is het punt waar ik zelf naartoe vlieg. Uit optic flow zijn allerlei ‘invarianten’ af te leiden, bijvoorbeeld hoe je vliegtuig zich verhoudt tot de horizonlijn en dus, of je te hoog of te laag vliegt. Bedenk: er is alleen optic flow als je zelf wat doet. Je moet je ogen bewegen, of je hele hoofd, of je hele lichaam (of met je hele vliegtuig). Gibson concludeerde dat feitelijk alle ‘dingen’ die wij waarnemen niet alleen bestaan uit het ‘ding’ zelf, als objectieve data die in de vorm van licht in ons oog valt, maar dat de dingen ook altijd iets van informatie bevatten van ons zelf: we zien niet alleen een theepot maar ook tegelijkertijd hoe wij ons verhouden tot die theepot. Want we handelen altijd ook terwijl we waarnemen: die twee zijn gekoppeld. Een camera op pootjes die zelf actief op zoek gaat naar zijn beelden, zoiets. Het gevolg is, aldus Gibson, die er een heel boek over vol schreef, dat wij objecten altijd in eerste instantie te zien als “wat-je-er-mee-kunt-doen”-dingen. Dat noemde hij ‘de affordance’ van het object. En dat is het gekke van de theepot van Norman: die heeft aan ambigue affordance: je bent geneigd hem op te pakken om uit te schenken, maar je ziet tegelijk dat dit problemen gaat opleveren (zeker met hete thee). Productontwerpers hebben dit wat vereenvoudigd en noemen het meestal ‘use-cue’. Maar pas op, Gibson zou opnieuw protesteren als je een use-cue uitlegt, zoals vaak gebeurt, als een soort van ‘conclusie’ die mensen trekken op grond van de beschikbare visuele informatie. Het is niet zo dat je eerst een stoel ziet en dan denkt: dat is een stoel, en ik weet dat ik op een stoel kan zitten, dus deze stoel heeft als use-cue “zitten”. Affordances neem je direct waar. Je kunt niet anders. Een affordance is geen eigenschap van een object, het object is de affordance. Het eerste wat je ziet is een “een zit-affordance”, en juist daarna pas kan je, eventueel en in een later stadium, bewust tot de conclusie komen: dan moet het een stoel zijn. Je zou kunnen zeggen dat objecten altijd voor een deel jouw eigen gedrag (of liever, je gedragsmogelijkheden) reflecteren. Alsof je zelf een rood licht uitstraalt en dan alle objecten in je omgeving een beetje rood ziet. Het zou dan onjuist zijn te beweren dat die objecten echt rood zijn, ze zijn rood omdat jij rood uitstraalt. Hetzelfde gebeurt met handelingsmogelijkheden: je ziet niet de dingen zoals ze echt zijn, maar je ziet ze als mogelijkheden voor je eigen handelen.
(eh… niet ‘zoals ze echt zijn’? dat hangt natuurlijk maar helemaal van de definitie van ‘zijn’ af. de fenomenoloog zou zeggen: maar zo ‘zijn’ nu juist de dingen, die affordance is het enige ‘echte’ wat er is)
Don Norman: www.jnd.org
Optic Flow http://www.pages.drexel.edu/~weg22/opticFlow.html
James J. Gibson & affordance http://en.wikipedia.org/wiki/Affordance
Popularity: 25% [?]
27 Nov 2008 admin
mooi stukje!
nu begrijp ik het geloof ik eindelijk.
om het ook weer heel snel te vergeten, hoor!
kan ik je stukje later nog een keer lezen, en weer dezelfde reply posten.
mooi stukje!
nu begrijp ik het geloof ik eindelijk.
om het ook weer heel snel te vergeten, hoor!
kan ik je stukje later nog een keer lezen, en weer dezelfde reply posten.