De vrouw van mijnheertje Zoetebier had boven de stortbak van het closet een spiegeltje gehangen. Een vreemde plek, te meer daar een vrouw, gezeten op de porceleinen pot, aan een spiegeltje boven de stortbak weinig plezier kan ontlenen.

Voor mijnheertje Zoetebier was het echter een andere zaak. Als hij in hoge nood het kleinste kamertje betrad, en zijn plasbuis al staande ledigde, was er altijd een moment — precies wanneer de catharsis intrad; en het parasympatisch zenuwstelsel de controle over zijn gewaarwording overnam — dat mijnheertje Zoetebier een blik omhoog wierp en zichzelf een blik waardig keurde.

Zo staande, terwijl de urine rijkelijk vloeide, en een lichte rilling zich over zijn ruggemerg verspreidde, vroeg hij zich dikwijls af, wanneer het moment zou komen dat hij zichzelf niet meer in de ogen zou durven zien.

Het moment was nog niet gekomen, godzijdank, maar soms was hij er dicht bij geweest. Een schok was het dan geweest, die ogen te zien, die grauwe blik, die hem vertelde, dat daar niet het mijnheertje stond, dat hij zou graag zou willen zijn. Dromen, idealen, normen en waarden vielen dan als een kudde paarden zijn bewustzijn binnen en begonnen aan alle kanten aan hem te trekken. Hierdoor vaak letterlijk uit het evenwicht gebracht, gaf dat meermaals een genante situatie van natte pantalons en bezoedelde tegels.

Mijnheertje Zoetebier was geen gelovig man, maar het dagelijks moment in de spiegel was voor hem als een biecht; een klein moment van waarheid.

Een spiegel is een vreemd object, reflecteerde Zoetebier eens, toen het schijnsel van de lamp de zweetdruppels op zijn gezicht weer eens deed glimmen. Enkel in de spiegel kun je jezelf, en niemand anders dan jezelf, een kus geven. En hij voegde daad bij woord, waarna hij opgelucht doorspoelde.

Popularity: 17% [?]