Archive for March, 2006

Uncategorized

Thoughts

Sander vroeg zich af of je nog wel kon denken als je aan het ski-en was. Zijn hoofd werd er in ieder geval helemaal leeg van. Ook in de Sauna ging het lichtje in zijn bovenkamer helemaal uit. Het lijkt erop alsof denken lastig is, als je lichaam in zwaardere fysieke condities verkeert. Althans, dat denk ik er van.

Dit is Sanders post
En hier was mijn reply

Popularity: 6% [?]

fictie

Toen het licht uitviel - vervolg H2

[Dag lieve lezers. Sorry dat het zo lang duurde. Hier eindelijk het tweede deel van hoofdstuk 2. Het kan zijn dat er continuiteits-fouten ontstaan, zo van, dat nu zijn horloge rechts zit terwijl het eerst links zat enzo, daar heb je bij films aparte mensen voor die dat controleren. Maar dat soort onregelmatigheden daar moet je maar een beetje doorheen lezen. Tot snel weer - Jelle]

We sloegen de hoek om. Daar, in een donkere steeg, stond de grote groene bestelwagen van de bakker. Een auto! Daar stond Een Auto! Er waren niet veel auto’s op het eiland, maar ze waren er wel; natuurlijk waren ze er wel. Hoe werkt mijn brein, hoe lopen die onmogelijke nutteloze kronkels in mijn geest, dat ik hier twee uur lang heb lopen zwoegen op een bakfiets, terwijl er hier overal auto’s te vinden zijn? In carports, garages, maar ook gewoon op straat, op het erf, naast het huis onder de perenboom. De auto van de bakker, van het hotel, die Volvo achter het VVV kantoor: zonder enige moeite kon ik me onmiddellijk tien auto’s voor de geest halen die lopend bereikbaar zijn vanaf ons huis. Personenwagens, busjes, bestelauto’s, in alle kleuren en merken. Een hele bus stond in de haven weg te roesten. Ongebruikt, onbeheerd. En auto’s lopen op benzine. Niet op stroom. Niet op electriciteit, o nee mijnheertje: Op benzine. En al die auto’s zitten vol met benzine. Of tenminste halfvol. Of dan toch kwartvol. Waar was ik met mijn hoofd? Waarom dacht ik niet na?

‘Waarom zijn we niet meteen een auto gaan halen’, roep ik, tegen de gierende wind in, naar Peter, die rond de auto is gelopen, aan de portieren heeft gevoeld en nu aan een tuinhekje begint te wrikken. ‘En wat doe je daar eigenlijk?’. Peter antwoordt niet. Hij komt teruglopen met een lange metalen strip uit het tuinhek, die de horizontale houten panelen bij elkaar moest houden. Hij knipt een hoek uit het uiteinde van de strip met zijn combinatietang en steekt de strip boven het sleutelgat achter de rubberen lijst van het zijraam van het portier. De deur schiet open.

Ik sta met verbazing te kijken naar wat er zich voor mijn ogen afspeelt. Peter, de autodief! Maar vooral ben ik verbaasd over mijn eigen handelend onvermogen. Niets voeg ik toe aan deze onderneming. Ik heb zelfs kritiek op Peter, dat we niet direct een auto hebben gezocht en eerst met die bakfiets hebben lopen zeulen. Verdomme! Als hij naar mij geluisterd had waren we nu nog aan het zwoegen. Hij is me telkens een stap voor.

Waarom gebruik ik mijn hersens niet? Ik heb ineens een ongelofelijke hekel aan mezelf. Op de achtergrond van mijn gedachten, die heen en weer schieten tussen frustratie, paniek, en woede, hoor ik een auto starten. Verdomme! Ik gebruik mijn hersens wel, ik gebruik ze te veel! Ik sta hier alleen maar te denken. Simon: doe dan eens wat man! Ik voel mezelf plotseling in actie komen. Mijn lichaam heeft er genoeg van, dat is duidelijk. Het wil niet achterblijven, bij de sukkels, de denkers, de piekeraars. Het wil mee met Peter, de held, de daadkrachtige watersoldaat die ons zal bevrijden, beschermen, die handelt naar zijn hart, de juiste impuls op de juiste plaats. Ik merk dat ik spullen begin te sjouwen van de bakfiets naar de auto. Ik kan niet alles tegelijk dragen. Er valt wat uit mijn handen, ik probeer het te pakken uit een modderplas, ik struikel. Ik begin te janken. Ik kan niets! Helemaal niets! ‘Simon! kom even helpen, met die kar’, zegt Peter. Hij rijdt de kar richting de auto en begint de spullen over te laden via de zijdeur…

Ik zit in de bijrijdersstoel. Peter frummelt met draden onder het dashboard. Ik zit in een film. Er mist alleen nog een goede beat. Maar in plaats daarvan hoor ik mijn hart, mijn persoonlijke, biologische sound-track. Boem, Boem-Boem, Boem. Boem. De ramen beginnen geleidelijk aan te beslaan, maar daar zal Peter ook wel weer een oplossing voor weten, daar twijfel ik niet langer aan. Mijn kleren zijn geheel doorweekt. Langzaam beginnen mijn handen enigszins te ontdooien. Mijn voeten zijn nog ijsklompen. Op de achterbank ligt onze inbrekersuitrusting voor zo dadelijk. Tenminste, als we de auto aan de praat krijgen. Ik staar vooruit en zie niets meer.

Enige minuten later. Het is niet waar: Peter krijgt de motor niet aan! Dank u, O hemelse scenario-schrijver: ik zit toch niet in een B-film. Peter vloekt. Hij gooit de deur open en stapt naar buiten. Ik stap ook naar buiten. Toch maar met de bakfiets dan? Ik vraag me af of ik in staat ben om nog een uur door dit kloteweer te ploegen. Peter sleurt me mee naar de voortuin van de Bakker. Met een voetje van mijn kant is hij in een wip binnen door een bovenraam. Door het raam zie ik hem de voorkamer in lopen. Hij loopt recht op het dressoir af, trekt een laatje open, rommelt wat, en komt met iets terug naar buiten klimmen. De autosleutel.

Terwijl we met een kilometer of dertig per uur naar de fabriek rijden, de kachel op tien, vraag ik aan Peter: “Hoe wist jij nou, dat die sleutel daar was? Je hoefde helemaal niet te zoeken.” Ik probeer niet te laten merken hoe verdacht ik het allemaal vind. “Als ik een auto had, zou ik de reservesleutel daar leggen”. Is het zo simpel?

Ik zal hier niet schrijven over de rest van de onderneming. We bereikten de fabriek, we kwamen er binnen, we verlieten de tent met de door ons begeerde flessen water. Allemaal zonder noemenswaardige problemen. Althans, zonder noemenswaardige problemen in de eindeloos doeltreffende pragmatiek van Peter. Ik zag talloze niet bestaande beren op de weg, zoals nu wel duidelijk moge zijn.

We komen er nu eens in de zoveel weken. Volgens onze berekeningen kunnen we het nog twee jaar volhouden met de voorraad die daar ligt opgeslagen.

Wij zijn de waterdragers. Alleen Peter en ik. De anderen beginnen er nooit over, het is een ongeschreven regel dat Peter en ik het water halen. Ik vraag me nog steeds af waarom hij mij altijd meeneemt. Maar ik durf er niet goed over te beginnen. Een ander punt wat me bezig houdt is dat hij de anderen nooit verteld heeft over de auto’s. Niemand weet dat we af en toe een auto ‘lenen’. We vertrekken altijd met de bakfiets en we komen altijd terug met de bakfiets. Enorm gedoe om al die flessen weer over te laden, maar Peter wil het zo. Als het minder slecht weer is doen we alles op spierkracht, dat spaart de benzine. Bij noodweer kapen we ergens een auto, waar nog benzine in zit. Ik heb het hem eenmaal gevraagd. Hij reageerde kortaf: “Luister Simon. En dit is meteen het laatste dat ik erover zeg: Mensen hoeven niet alles te weten”.

Mensen hoeven niet alles te weten. Pfff. Een tijd lang heb ik me afgevraagd waarom ik het spelletje meespeel. Peter heeft me nooit gezegd dat ik mijn bek moet houden. Dat ik het niet door mag vertellen. Geen ‘our little secret’-scenes in onze waterfilm. Waarom zeg ik niet: jongens, we gaan met de auto hoor. Dat met die bakfiets, dat is pure schijn. Hee, iedereen, luister eens: iedereen kan met de auto. Heb je zin om te crossen? Zullen we een potje joy-riden? We kunnen alle auto’s jatten die er zijn op dit eiland. Peter weet precies hoe het moet. We doen het elke week! Wie wil er een ritje maken? Peter kan zo goed auto’s jatten, dat heeft hij vast vaker gedaan, hee, nietwaar, Peter, hee, Petertje, dat heb je vaker gedaan of niet jongen? Waarom zeg ik dat niet? Maar ik weet wel waarom ik dat niet zeg. Het is pure angst.

Popularity: 11% [?]

fictie

Toen het licht uitviel - H2

[Wat leuk dat er meerdere reacties zijn gekomen op mijn sci-fi verhaal. Nu moet ik er natuurlijk wel mee verder. Ik weet niet of ik echt heel hoofdstuk 2 nu uit de pen krijg, maar ik maak vast een beginnetje. Commentaar op het verloop van het verhaal, inconsistenties, ideeen etc.. zijn meer dan welkom]

2

Twee dagen geleden ben ik begonnen met deze schrijfoefening - het woord scheepsjournaal komt in me op, terwijl ik toch nog steeds vaste grond onder mijn voeten heb - en de zon heeft zich nog altijd niet laten zien, ook niet overdag. Gisteren heb ik niet kunnen schrijven, omdat we weer op strooptocht zijn geweest. Ik was zo moe dat ik voor het eerst sinds weken zonder problemen in slaap ben gevallen. Als we vaak op strooptocht zullen gaan, zal ik heerlijk slapen, en wordt het met dit dagboek niets meer.

Ik moet misschien iets uitleggen over onze situatie, en dan met name voor wat betreft het voedsel en water. We hebben geen stromend water - de waterdruk is weggevallen - en we durven nog altijd geen ongekookt regenwater te drinken. Peter heeft het wel een keer geprobeerd, hij heeft overal schijt aan. Weer een onbedoelde grap gemaakt, merk ik, want hij had direct een week diarree.

We drinken dus geen ongekookt regenwater, maar het brandhout begint schaars te worden en daarom proberen we het zo lang mogelijk te redden met flessenwater. Dat klinkt gek, maar er is hier ongelofelijk veel bronwater op het eiland, vanwege de Opslag. In de Zuid-Haven is een distributie-depot van Sourcy, in de volksmond de Opslag genoemd. Vanuit ons eiland wordt bronwater verder vervoerd naar de Scandinavische landen.

Een paar maanden geleden, toen we voor het eerst de uitputtelijkheid van het brandhout onder ogen begonnen te zien, kwam Peter met het idee om in te breken in de Opslag. Hij bracht het zonder omwegen: ‘Simon en ik gaan er heen, Marieke en Johannes bewaken het huis’. Waarom hij mij uitkoos was me destijds een raadsel. Ik ben geen held, ik ben niet sterk, niet handig, heb twee linkerhanden. Wat heb je aan mij, als je deuren moet openbreken en dozen water moet verslepen? Bovendien was Peter geen directe vriend van mij, hij kende Johannes al langer; zou je niet liever met een goede maat een dergelijke actie ondernemen? Maar nu, terugkijkend, denk ik dat hij heel bewust voor mij koos op dat moment. Niet omdat hij zo veel aan mij zou hebben, maar omdat hij mij het liefste in de buurt had, zodat hij juist geen last van me zou hebben. Peter werkt volgens een aantal principes. Een van de principes is: houd je problemen zo dicht mogelijk bij je in de buurt, dan heb je er de meeste invloed op. En het grootste probleem van de hele onderneming was ik, want hij voelde feilloos aan dat ik een tegenstander zou zijn geweest, had er werkelijk een discussie over ontstaan. Peter heeft een speciale sensor voor angst, voor conservatisme. Door mij direct bondgenoot te maken van zijn plan hield hij de touwtjes stevig in handen.

Peter en ik zijn om volstrekt verschillende redenen niet met de evacuees mee vertrokken. Voor mij was het angst, angst voor het onbekende. Voor Peter was het eerder een avontuur om te blijven, dan om te gaan. Iedereen ging al mee met de reddingssloepen, dan was er voor hem geen lol meer aan. Dertig mensen vonden dat de reddingssloep de meest veilige optie was? Al te meer reden voor Peter om dan juist te blijven. Het interessante eraan is dat we uiteindelijk allebei bezig zijn met zelfbehoud. Ik door stilletjes te blijven zitten waar ik zit, de schutkleur van het gras aannemend in de hoop dat de roofvogel mij over het hoofd ziet. Peter door op jacht te gaan, een prooi te vangen, zijn territorium uit te breiden. Normaal gesproken zie je dat soort verschillen alleen tussen diersoorten. Zou de mens de enige soort zijn die beide rollen aanneemt? Is er daarom kannibalisme onder mensen? En oorlog? Hier had ik over kunnen praten met Ruben. Hij had wel geweten of er nog diersoorten waren waar hetzelfde fenomeen bestaat. Maar ik moet niet aan Ruben denken. Ik zal over hem schrijven wanneer ik sterk genoeg ben, niet nu.

We vertrokken bij dageraad, of wat daar voor doorging. Ik was bij het opstaan begonnen met nadenken over het plan, en hoe we het zouden aanpakken. Ik had een regenpak klaar gelegd, en laarzen. Ik wilde op zoek naar de gereedschapskist maar Peter riep van beneden: “Hee daar slome, we zijn al vertrokken, kom op!”. Beneden aangekomen bleek dat Peter een stuk praktischer had nagedacht dan ik en zich bovendien al had voorbereid. De bijkeuken stond vol met spullen, hamers, bijtels, een groot stuk staal, kettingen, touw. Buiten, bij de deur, stond een bakfiets. Waar had hij die nu zo ineens vandaan getoverd? En wanneer had hij dat gedaan, ’s nachts? Ik was de hele nacht wakker geweest en had niets gehoord. Hoe kon hij zo snel al die spullen bij elkaar gezocht hebben? De doelgerichtheid van Peter sloeg me koud in het gezicht: wat was ik toch een eindeloze piekeraar. Waarom niet die daadkracht van Peter, als het aan mij had gelegen waren we die dag enkel nog maar met de voorbereidingen bezig geweest.

We fietsten om beurten op de bakfiets, terwijl de ander er met een gewone fiets naast reed. De Opslag was aan de andere kant van het eiland, en onderweg passeerden we enkele huizen en het dorp bij de vuurtoren. Daar gebeurde iets dat me nog het meest is bijgebleven van de hele tocht. Het was koud, guur, de regen gutste met grote stralen aan alle kanten langs mijn regenpak naar binnen, ik was nat tot op het bot. Ik ploegde voort op de bakfiets, die log en zwaar was. We hadden straffe zijwind, die af en toe met aggressieve vlagen om de hoek van struiken of gebouwen kwam zetten. Dan moest ik alles op alles zetten om de fiets weer in beweging te krijgen. Peter had de fiets al laten staan en hielp met duwen, om dan met een drafje mee te hollen zodra ik weer enige vaart kreeg. Op een gegeven moment, midden op het dorp, riep hij plotseling: “Hier gaan we rechts!”. Ik schudde van nee. “De Opslag is die kant op” riep ik terug, en wees recht vooruit, langs de vuurtoren. “We gaan hier rechts!” schreeuwde hij, en trok aan mijn stuur. “Waarom dan?” riep ik. Maar hij gaf geen antwoord.

…wordt vervolgd lieve mensen…

Popularity: 11% [?]

Uncategorized

blijf gewoon jezelf

Nu het stof weer nedergedaald is, en Raffaella uiteindelijk als terechte winnaar uit de bus is gekomen, is het tijd voor enige reflectie.

Ik ontmoette een autistisch jongetje, en lees nu een boek over autisme. Het is een fascinerende stoornis. Wild Hypothesis: Autisme is de stoornis die uiteindelijk de sleutel tot het raadsel van de menselijke cognitie zal bevatten. Ik wil meer weten over autisme.

Heerlijk moment: Henk-Jan, de voorzitter van de Jury, zegt tegen Floortje, die niet won: Jij blijft gewoon jezelf, en dat is goed. Jezelf blijven in de finale van Idols. Je-Zelf-Blijven-In-De-Finale-Van-Idols….. wat schrijven filosofen dan ook altijd weer: (Sic!)

De standaard theorie over Autisme van Uta Frith, is dat Autisme geen “Theory of Other Minds” hebben. Dat wil zeggen, autisten kunnen gedragingen van andere mensen niet interpreteren als het gevolg van gedachten, wensen, ideeen, kortom, intenties, van ‘personen’. Andere mensen zijn voor autisten geen ’subjecten’, maar slechts ‘objecten’. Autisten kunnen wel met rationele middelen leren dat je iemand goededag moet wensen en vragen ‘hoe is het ermee’, maar ze kunnen niet invoelen waarom dat eigenlijk zo is, ze kunnen het hooguit beredeneren.

De nieuwe theorie, ook van Frith, is dat het onvermogen om zich in te leven in andere personen een oorzaak heeft in een onvermogen om zich in te leven in “jezelf”, dat wil zeggen, ook het zelfbeeld, het zelfbewustzijn, het weten dat je zelf iemand bent, een subject, is bij autisten gestoord. Dit leek mij niet meer dan logisch.

Robots, tot op heden, hebben eigenlijk op karikaturale wijze hetzelfde probleem als autisten. Ze kunnen zich fundamenteel niet inleven in mensen, omdat ze zelf geen ‘menselijk persoonlijk emotioneel systeem’ hebben. Om andere mensen te kunnen zien als mensen, moet je die andere mensen kunnen zien “als jezelf”. Je moet je kunnen voorstellen dat jij die ander bent. Tomassello heeft hier een mooi boek over geschreven. Maar dan moet er wel een “jij” zijn, om zo’n fantasie-spelletje te kunnen spelen. Bij robots is er helemaal niets, natuurlijk, enkel schakelingen op de printplaat, en dat is, subjectief gesproken, niets. Bij autisten is er van alles, maar het is gestoord. Hoe precies, dat weet ik nog niet, want ik heb het nieuwe boek van Frith nog niet kunnen lezen.

Blijf jezelf, Rafaella, lekker nep, zoals dat hoort bij een Echte Idol.

Popularity: 6% [?]

fictie

Toen het licht uitviel

[Dit wordt een poging tot een vervolgverhaal, wellicht blijft het maar bij een eerste poging, zoals vaker, maar je weet nooit wat er van komt]

1

Het gekke is dat we het licht nog het meeste missen. Dat had ik niet verwacht, ik ben informaticus, en in mijn ogen (NB de beeldspraak: in mijn ogen!) is licht slechts een drager van informatie. Het gaat uiteindelijk om de informatie. Mensen zijn denkers, dacht ik, en denkers hebben behoefte aan informatie. We willen elkaar informeren, ideeen uitwisselen, we willen communiceren. Dat kan met licht. Het gaat zelfs bijzonder goed en gemakkelijk met licht. Maar het hoeft niet. Een vriend van mij is blind vanaf zijn geboorte, hij heeft er geen seconde van zijn leven last van gehad dat bij hem het licht altijd uit is. Licht is bijzaak, een middel om een doel te bereiken.

Dacht ik.

Maar nu we al een half jaar zonder electriciteit zitten merk ik dat ik het licht het meeste mis. Ik kan er ook eigenlijk niet meer goed tegen, ik zat op het randje van waanzin. Vandaar dat ik dit dagboek begonnen ben. Ik schrijft alleen ’s nachts, op papier, met een potlood, en de knijpkat van mijn vader. Wie heeft er in godsnaam nog een knijpkat? Mijn vader! Ik hou van hem, moge hij rusten in zijn graf, hij heeft het ding niet meer nodig. Ik schrijf met rechts en knijp met links. Zo krijg ik nu een muisarm met de hand waarmee je niet schrijft. Of liever gezegd, een kat-arm. Maar dat is overeenkomstig het werkelijke leven, het leven van vroeger, toen de fysieke wereld nog de echte wereld was: je werkt, fysiek, om vervolgens te kunnen denken in je vrije tijd. Vrije tijd is voor de geest, werken is voor het lichaam. Dus is het niet meer dan logisch dat de hand waarmee je niet schrijft (schrijven is immers niets anders dan denken op papier), het echte werk doet. Werken is fysieke voorwaarden scheppen. Al het andere is geen werken. Wat is dat toch voor een rare tijd geweest, de laatste vijftig jaar, dat we dachten dat denken ook een vorm van werken was? Dat mensen pijn kregen in de drie vingers en duim van hun rechterhand, omdat ze enkel nog met 1 hand bewogen, de hele dag door? Dat alle fysieke voorwaarden blijkbaar al geschapen waren (door wie? er moet toch ergens werk verricht zijn, opdat wij ons enkel nog over muisarmen hoefden te bekommeren?). Dat je alleen nog maar je brein hoefde te laten kraken, en dat je dan thuis kwam en zei: goh ik heb zo hard gewerkt vandaag (ik krijg er een muisarm van)?

Eigenlijk mag ik de knijpkat niet gebruiken. Marieke en Johannes zijn tegen, stel dat het ding kapot gaat. Die knijpkat is onze talisman, ons wapen tegen de donkere nacht. Maar ik moet wel, want ik kom de nachten anders niet meer door. De weinige kaarsen die we nog hebben zijn goud waard, die bewaren we voor noodgevallen.

De nachten zijn lang, en ze worden alleen maar langer. Gisterennacht heb ik urenlang in een hoekje van de kamer gezeten, rillend, doodsbang. Mijn hoofd tegen het raam dat op het oosten uitkijkt - wat blij was ik toen ik ook maar een zweem van een suggestie van een horizon meende te ontwaren. Weer een nacht doorgekomen. Nu schrijf ik. Dat helpt wel iets. Ik schrijf dat ik hoop dat de dag snel aan zal breken en ik hoop het terwijl ik het schrijf. Laat de dag aanbreken. Laat de dag aanbreken. Laat de…

Dat het nu winter is maakt het er ook niet beter op. Toen de electriciteit uitviel, in juli, maakte men zich veel minder druk dan nu. Mensen zijn zo kortzichtig. Ik zie onze buurman nog lachend zijn noodaggregaat aanzwengelen. Drie dagen al later kwam er geen benzine meer aanvaren. Kwam er sowieso geen nieuws meer van de wal. Maar goed, wie had dan ook ooit gedacht dat het zo lang zou duren? Een half jaar geen electriciteit, dat is, nee dat was, ondenkbaar.

O ik zou op dit moment een moord doen om mijn computer weer op te kunnen starten en ’s avonds na het vallen van de duisternis naar mijn beeldscherm te kunnen turen. Niet om er iets mee te doen, het interesseert me niet of er een programma draait of dat de pixels van mijn scherm weer de foto van mijn zoon tevoorschijn toveren, zoals ze vroeger, hoor mij ik spreek al van vroeger, zoals ze vroeger zo achteloos konden. Nee, dat interesseert me niets. Liever niet, liever zo min mogelijk informatie op mijn scherm: laat alle pixels maar hetzelfde doen, namelijk zo fel mogelijk licht uitstralen. Een groot vierkant wit scherm, dat is waar ik naar verlang, waar ik naar hunker.

Vandaag is weer een druilerige dag. Het regent al drie weken. Dat doet het de laatste tien jaar altijd in de winter, de Hollandse winters zijn regenachtige donkere klotewinters geworden. In het begin van de eeuw, de 21e eeuw dus, kon het nog wel eens sneeuwen of zelfs vriezen, dan had je meestal een heldere hemel met een prachtige zon.

Zon waar ben je! Ik moet mezelf niet zo martelen met deze gedachten. Ik lijk wel zo’n gevangene die ze al een week geen eten hebben gegeven en die dan de hele dag zit te de meest vette en overdadige feestmaaltijden zit te fantaseren. Zo wordt het alleen maar erger.

Laat ik in plaats daarvan kort verslag doen van de gebeurtenissen sinds 14 juli, toen de stroom uitviel.

Mensen die dit lezen vragen zich wellicht af hoe het uberhaubt mogelijk is dat de stroom uit valt en dat die stroom dan gewoon niet wordt aangesloten, een half jaar lang niet. Het is nog gekker. We weten namelijk niet eens wat de oorzaak is. Dat komt, er is geen enkele communicatie mogelijk tussen ons, hier op het eiland, en het vasteland.

Het zal met terrorisme te maken hebben, uiteraard. Of het de moslims zijn, of een andere radicale groepering, ik weet het niet. Maar het is onrustig op het vasteland. In de eerste weken na de uitval zijn er enkele reddingssloepen langsgekomen en daar zijn de meeste eilanders toen mee meegegaan. Wij zijn gebleven, wat ik in de chaos zo kon tellen waren 30 mannen en vrouwen, en een stuk of wat klein grut. Twaalf van ons zijn in de maanden daarna in boten vertrokken, op verkenning zogezegd, want we hadden werkelijk geen idee meer wat er nu aan de hand was, en hoelang het nog zou duren. We wisten niet eens of het oorlog was of wat ook. Geen van hen is teruggekeerd. Ebbe Wieringa was de laatste, dat is al weer maanden geleden. Hij vertrok in een te kleine boot maar we hadden geen andere boot meer behalve Gieljan’s kano. Ik zei nog ga met Eb - ik dorste daarbij geen grappen over zijn naam te maken, het was er de stemming niet voor. Ebbe ging niet met Eb, want er was een gerucht, waar het vandaan kwam weet ik niet, dat er haast was om nog die dag aan vasteland te gaan. Razzia’s, een inval vanuit het noorden, schepen, er waren zoveel verhalen in die eerste maanden. Nu is het hier al weer zolang stil. Waar het feitelijk op neerkomt: we durven niet meer. We zijn ook maar met zo weinig.

Het gekke is, er is nooit iemand gekomen. Geen enkele boot, geen vliegtuig, niets. Maar hoe zou dat ook kunnen, alle olie-industrie is natuurlijk al tijden geleden stil komen te liggen. Ze zouden kunnen roeien, maar wie weet is er daar niemand die weet dat wij er zijn. Dat dit eiland er is. Stel dat alle hollanders uitgemoord zijn in de dorpen aan wal, wie zou ze dat dan nog moeten vertellen?

Als de avond valt kruipen we allemaal als bange ratten bij elkaar. Het is niet te geloven hoeveel invloed kunstmatig licht heeft op ons geestelijk gestel. Dat besef je je niet, als het vanzelfsprekend is. Maar als het maar lang genoeg donker is, gaan er diepe verborgen sluizen in het brein open en komt de hele bliksemse oer-rotzooi zonder mededogen weer naar buiten. De angst is onbeschrijfelijk. Ik bedoel, waar kunnen we bang voor zijn? Er is hier niemand, alleen Peter, Marieke, Johannes, zijn dochter Myra en ik. Maar we barricaderen de deuren, we slapen met knuppels onder onze kussens, er is altijd een wacht en de wacht houdt een vuur gaande. Tot de laatste braamstruik door ons uit de duinen gerukt is, want anders zijn we overgeleverd aan het donker. Kijk, we zijn helemaal niet voor *iets* bang, we zijn juist bang voor het *niets*, voor het zwarte gat dat je omringt in de nacht. Scheen er maar een maan, of waren er maar sterren, maar het is hier altijd zo klerebewolkt en het regent maar. Die regen is haast nog erger dan die duisternis. Nee die duisternis is het ergste! En dan die regen.

We zijn holemensen geworden. Of nee, we blijken gewoon die holemensen te zijn die we altijd al waren. Een dun schilletje, een uiterst dun schilletje beschaving werd ondersteund, overeind gehouden, door enorme hoeveelheden kunstmatig licht. Door TL-buizen, gloeilampen, lampen in huizen, treinen, lantaarnpalen in straten; door de enorme 1000 watt lichtbakken in stadions en op vliegvelden, door eindeloze rijen fel-verlichte schermen van laptops, mobiele telefoons, reiswekkers; zelfs door kleine rode ledjes op onze wasmachines, magnetrons, stereotorens. Het licht gaf ons de illusie beschaafde mensen te zijn. Mensen die bezig waren met ideeen. Verlicht, heette dat, niet voor niets. Maar niets is minder waar. Het zat niet in ons. Wij waren niet verlicht, niet van binnen. Wij werden belicht, slechts van de buitenkant, voor zolang het duurde, een schijnwerkelijkheid.

Het flakkerende vuur in een gloeiend stuk hout toont ons onze ware aard: de rauwe werkelijkheid van de oer-angst, die in ons leeft. Plato had ongelijk: de schaduwen zijn de echte mensen.

Eindelijk, in het oosten zie ik een streep, of is het een suggestie van een streep? De nacht is bijna ten einde. Het zal nu snel licht worden.

Popularity: 7% [?]

Uncategorized

Sterk

Ik ben sterk. Ik ben supersterk. Ik kan de hele wereld aan. Geen idee waar mijn kracht vandaan komt, maar ik heb die kracht. Neem nu mijn mobiele telefoon: Ligt al de hele week in het kastje. Weet niet eens meer precies welk kastje. Uit. Leeg. En geen beltegoed. En ik heb daar geen last van. Ik hoef niet te bellen. Geen behoefte. Ik ben niet bereikbaar! Want ik ben supersterk. YEAH! Gisteren en eergisteren heb ik urenlang zitten typen in Word op de I-book. Realiseer je wel: De I-book heeft draadloos internet. GEVAAR! Ik was slechts 1 click verwijderd van email en Word Wide Web. Maar ik ben niet online gegaan. Geen idee hoeveel emails ik gemist heb. Wie er allemaal iets belangrijks te zeggen had waar ik direct even toch op had moeten reageren met een snel reply-tje. Ik heb het niet gedaan! Ta ta da da dam. Boem Boem. I’m a man! Ta tadadadam. Boem boem. I’m a hoochy coochy Man! (Roffel op de borst met beide vuisten). En de voicemail: Er staan berichten op. Dat weet ik, want er is al diverse malen gebeld, net toen ik op de WC zat, of een luier verschoonde (wat op hetzelfde neerkomt). En dan spreken ze in. Als ze bellen, en je neemt niet op. Ja, dat doen ze. Maar ik luister niet af! Ik weersta die aantrekkingskracht met mijn supersterke tegenkracht! Rrraaawww! I’m a rolling stone! Ta ta da da da, boem, boem. Wow, ik ben zo sterk, hier moet ik echt even een blogje over schrijven.

(Gelijk mijn werkmail even checken…)

Popularity: 6% [?]